Netherlands > Haags Gemeentearchief

0203-01

Kerkeraad van de Hervormde Gemeente te 's-Gravenhage

1576-1981
R. Grootveld
2015
Haags Gemeentearchief
Nederlands

Physical description

28,75 m¹ + Ongeïnventariseerd aanvulling 45,125 m¹

General remarks

Inventaris van het archief van de Kerkeraad van de Hervormde Gemeente te 's-Gravenhage

Beschrijvingen openbaar, stukken gedeeltelijk openbaar

09-08-2013

09-08-2013

Other descriptive information

Inleiding

Geschiedenis van de archiefvormende instanties

De Hervormde gemeente

Ondanks het feit dat het hier slechts een inventaris van één van de drie colleges van de Hervormde gemeente te 's-Gravenhage betreft (de kerkvoogdij en de diaconie zijn in aparte inventarissen beschreven), is het toch noodzakelijk iets over de Hervormde gemeente in haar geheel te zeggen. De eerste "hervormingsgezinde" gemeente alhier treedt op in 1566. In dat jaar werd een hagepreek op de Kneuterdijk gehouden en vond de beeldenstorm plaats. In de daarop volgende jaren wisselden de kansen voor protestanten en katholieken telkens. Pas in 1572 wordt de eerste hervormde predikant genoemd en in 1574 een tweede. Vanaf 1576 is met zekerheid te stellen dat de Grote Kerk uitsluitend voor de Hervormde eredienst gebruikt werd. In dat jaar wordt ook de eerste vergadering gehouden van wat later de classis 's-Gravenhage zou heten. Deze classis omvatte de Hervormde gemeenten 's-Gravenhage, Scheveningen, Loosduinen, Wassenaar, Monster, Ter Heijde, 's-Gravenzande, Wateringen, Rijswijk en Voorburg. In 1816 werden hieraan de gemeenten van de voormalige classis Delft toegevoegd. De classes waren verdeeld in ringen naar evenredigheid van het aantal lidmaten. De Hervormde gemeente te 's-Gravenhage vormde in haar geheel de Ring 's-Gravenhage. Tot 1951 behoorden ook de Waals Hervormde predikanten in Den Haag tot de Ring 's-Gravenhage. Vanaf dat jaar vormen alle Waalse gemeenten in Nederland één aparte ring. Ook de zgn. Hoogduitse hervormden hadden hier een gemeente; reden waarom de "oude" Hervormden de Nederduitse Hervormden werd genoemd. In oorsprong waren de Hoogduitse Hervormden volgelingen van Frederik V van de Palts, de Winterkoning, die hier in 1626 een eigen predikant kregen. Deze moest echter bij toerbeurt ook diensten in de Nederduitse kerken voorgaan. In 1818 werd de predikantsplaats opgeheven. Nog enkele malen gingen Haagse dominees in het Duits de diensten voor getuige het trouwboek van de Hoogduitse kerk, dat de jaren tot 1821 bestrijkt.

In de loop der eeuwen is het aantal kerkgebouwen van de Hervormde gemeente flink toegenomen. Tot in de 19e eeuw had men genoeg aan de Grote Kerk, de Kloosterkerk (vanaf 1617) en de Nieuwe Kerk (vanaf 1656). Met de groei van de stad nam echter ook het aantal lidmaten en de behoefte aan kerken toe. Achtereenvolgens werden de Willemskerk (1856), de Bethlehemskerk (1858), de Zuiderkerk (1888) en de Regentessekerk (1901) in gebruik genomen. In de eerste helft van de 20e eeuw volgen nog de Wilhelminakerk (1908), de Julianakerk (1926), de (nieuwe) Bethlehemkerk (1931), de Duinzichtkerk en de Oranjekerk (beiden in 1935). Tot aan 1946 zijn slechts twee kerken verloren gegaan voor de Hervormde eredienst: de (oude) Bethlehemskerk was oorspronkelijk als armenkerk gebouwd en werd vanaf 1873 voornamelijk voor kinderdiensten gebruikt. Omdat de kerk niet meer aan haar doel voldeed werd zij in 1928 verkocht aan de Gereformeerde Gemeente. De Wilhelminakerk werd verwoest bij het bombardement op het Bezuidenhout in 1945.

De Kerkeraad

In Den Haag waren er tot 1948 een algemene en een bijzondere kerkeraad. De algemene of grote kerkeraad bestond uit de predikanten, ouderlingen en diakenen. De bijzondere kerkeraad bestond alleen uit predikanten en ouderlingen. Vanaf 1891 treedt er een Commissie van dagelijks bestuur op, later genaamd Moderamen en nog later Groot Moderamen.

De ouderlingen en diakenen werden tot 1688 gekozen door de mannelijke lidmaten. In dat jaar bepaalden het Hof van Holland en de magistraat van Den Haag dat dit voortaan door de kerkeraad zou geschieden. Ingevolge de invoering van het nieuwe reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten werd in 1867 een kiescollege ingesteld. Dit kiescollege bestond uit gemachtigden van de stemgerechtigde lidmaten en zou op verzoek van de kerkeraad bijeenkomen ter beroeping of benoeming van ambtsdragers. Iedere tien jaar, te beginnen in 1871, zou de gemeente zich mogen uitspreken over de vraag of dit recht bij de kerkeraad of bij het kiescollege zou liggen. In 1931 viel de stemming ten gunste van de kerkeraad uit. Het kiescollege werd toen opgeheven.

Op de tientallen kleine en grotere kwesties betreffende de geestelijke verzorging van de gemeente zal hier niet worden ingegaan. Enkele springen er echter uit en hebben ook hun neerslag in het archief achtergelaten. Zo waren er rond 1870 problemen met de moderne dominee dr. J.C. Zaalberg en in 1853 laaiden de gemoederen hoog op bij het herstel van de Rooms-katholieke hiërarchie in Nederland. Koning Willem III sprak zich toen duidelijk uit voor de Hervormde Kerk door zijn manege in het Willemspark aan de Hervormde gemeente te schenken. Deze werd omgebouwd tot Willemskerk. De Afscheiding in 1834 deed uiteraard ook het nodige stof opwaaien. Deze zaken waren echter minder ingrijpend voor de kerkeraad dan de gebeurtenissen in 1617: een groep verontruste protestanten had in 1610 bij de overheid een zgn. Remonstrantie ingediend, waarnaar zij later de Remonstranten genoemd zouden worden. In het kort kwam het erop neer dat de Remonstranten geloofden in de vrije wil van mensen om Gods genade aan te nemen of niet.

De (onvermijdelijk zo genoemde) Contra-Remonstranten geloofden in de voorbeschikking ten verderve van iedereen. In Den Haag manifesteerde het verschil in deze twee groepen zich in de hofpredikant Johannes Uyttenbogaert, Remonstrant en dominee Henricus Roseus. In februari 1616 werd ds. Roseus door de Staten van Holland het preken verboden. Hij ging nu ter kerke in Rijswijk en verzamelde daar een grote groep aanhangers om zich heen. Ondanks het verbod preekte hij toch en het aantal aanhangers van ds. Roseus nam zodanig toe dat een grotere ruimte voor de diensten noodzakelijk was. Op voorspraak van Prins Maurits werd hen in 1617 de kapel van het Sacramentsgasthuis aan het Noordeinde ter beschikking gesteld. Enkele maanden later werd geëist de Grote Kerk vrij te geven maar de Staten stelden voorlopig de Kloosterkerk ter beschikking. Toen maatregelen tot uitvoering van dat besluit achterwege bleven 'kraakten' de Contra-Remonstranten de Kloosterkerk. Prins Maurits ging daar op 16 juli 1617 openlijk ter kerke en liet zo aan duidelijkheid niets te wensen over. De Kloosterkerk werd in die tijd door de voorstanders Prinsekerk genoemd. De oorspronkelijke hervormden, die nog in de Grote Kerk ter kerke gingen, gebruikten de naam Scheurkerk. In 1619 kozen de Staten eieren voor hun geld en herstelden ds. Roseus weer in het ambt. Enkele weken later werd de oude kerkeraad afgezet en vervangen door de Contra-Remonstrantse. De Remonstranten herstelden zich spoedig van deze slag en hielden hun eigen diensten bij particulieren thuis. In 1631 werd door hen een schuilkerk aan de Laan gebouwd.

Het Ministerie van predikanten

Oorspronkelijk had de Haagse gemeente drie predikanten. In 1590 werd hier een vierde aan toegevoegd, die tevens als hofprediker dienst zou doen. In de 17e eeuw deden de 5e t/m 8e predikant hun intrede. De 18e eeuw leverde slechts één predikantsplaats extra op in 1748. De tiende predikant werd bevestigd in 1831. Hieraan waren vele jaren van strijd vooraf gegaan. In 1818 was namelijk de Hoogduitse predikant, die ook in Nederduitse diensten voorging, met emeritaat gegaan en zijn plaats opgeheven. Het duurde om uiteenlopende redenen maar liefst 13 jaar voordat van de koning toestemming werd verkregen voor de beroeping van een andere predikant. Was het in de 19e eeuw de koning die moeilijkheden veroorzaakte, voor de Franse Tijd waren dat het Hof van Holland en de magistraat van Den Haag die handopening moesten verlenen bij de beroeping van een nieuwe predikant. Zij droegen ook bij in een belangrijk deel van het traktement zodat enige invloed wel gerechtvaardigd was. In 1694 konden Hof, magistraat en kerkeraad het niet eens worden over een nieuwe predikant. Stadhouder Willem III moest toen de beslissing nemen.

Waarschijnlijk was er reeds in de 17e eeuw sprake van een ministerie van predikanten. Dit diende voornamelijk als overlegorgaan tussen de predikanten onderling waarbij bijvoorbeeld preekroosters werden vastgesteld en de belangen van de hieronder te noemen weduwenbeurzen werden besproken. Pas vanaf 1745 en eigenlijk pas vanaf 1793 is archiefmateriaal van dit college bewaard gebleven. In 1793 moest het ministerie met spijt constateren dat wijlen collega Muilman weliswaar in 1745 een zeer fraai notulenregister had aangelegd maar het na één vergadering voor gezien had gehouden en verder alles op losse vellen had geschreven. In zijn boedel waren enkele vellen aangetroffen. Deze zijn echter niet meer in het archief aanwezig. Tot het ministerie behoorde ook de Hoogduitse predikant maar niet de Franse of Waalse. Wanneer met de Franse predikant vergaderd werd sprak men van gecombineerd of breed ministerie.<br/>In de bibliotheek van de kerkeraad, in bewaring gegeven bij het Gemeentearchief, berusten portretten van nagenoeg alle Haagse predikanten sinds de reformatie.

Het College van ouderlingen

Aanvankelijk Gezelschap van ouderlingen genaamd was dit college voornamelijk bedoeld als gezelligheidsvereniging. Waarschijnlijk werd het opgericht in of vlak voor 1787. Allengs werden de vergaderingen van dit college echter gebruikt om de zaken die in de kerkeraad aan de orde kwamen nog eens duchtig door te nemen. De zeer uitgebreide notulen geven vaak meer informatie over bepaalde zaken dan die van de kerkeraad. Helaas is er een zeer groot hiaat in de serie. Ook de over allerlei onderwerpen verzamelde stukken sluiten goed aan bij het archief van de kerkeraad. Het college had verder geen specifieke bevoegdheden.<br/>De namen van de ouderlingen zijn in gedrukte almanakken en jaarboekjes eenvoudig terug te vinden.

Het Weduwenfonds en de Liefdebeurs

Het Weduwenfonds, ook wel kerkeraadsbeurs of fonds der predikantsweduwen genoemd, werd gesticht in 1636 uit een legaat. In 1669 werd hier nog eens een bedrag van f. 10.000, aan toegevoegd uit een ander legaat. Het fonds had ten doel de weduwen van de Nederen Hoogduitse predikanten te ondersteunen. Het werd beheerd door een quaestor, één van de predikanten, die benoemd werd door de kerkeraad. Jaarlijks werd het uit te keren bedrag vastgesteld. Bij mee- of tegenvallers in het financiële beheer werd het aangepast. Door goede belegging van de gelden in de 18e eeuw en daarna nam het vermogen van het fonds steeds toe.

De Liefdebeurs was eigenlijk ook een weduwen- en wezenfonds. Het werd gesticht in 1740 door de gezamenlijke Hoogen Nederduitse en de Franse predikanten in Den Haag en had tot doel de ondersteuning van weduwen en wezen van die predikanten. De inkomsten werden verkregen uit de verpachting van het recht van publicatie van de preekbeurtenbriefjes. Dit waren blaadjes waarop per week de preekbeurten in de verschillende kerken waren aangegeven. Vele Hagenaars waren hierop geabonneerd. In de 19e eeuw werden ook de preekbeurten van andere protestantse kerkgenootschappen opgenomen. Aan het einde van de vorige eeuw werden de gegevens opgenomen in de 's-Gravenhaagsche Kerkbode. De uitgever betaalde jaarlijks een bedrag voor het recht van uitgave. Ook hier nam door verstandige belegging het vermogen steeds toe. Het beheer van het fonds was eveneens in handen van een quaestor, die door de gezamenlijke predikanten benoemd werd. In de 19e eeuw ging dit recht ongemerkt over op het bestuur van de Ring 's-Gravenhage. De reden hiervoor zal wel zijn geweest dat zowel de Nederlandse Hervormde als de Waalse predikanten in de Ring zitting hadden. Wat was dan makkelijker dan de Ringvergadering te benutten voor Liefdebeurszaken? In het begin van de vorige eeuw behandelde het gecombineerd ministerie van predikanten deze zaken.

De in 1955 benoemde quaestor van beide beurzen hield de administratie niet meer gescheiden. Ook de opzet van het beheer veranderde enigszins. Voortaan werden er ledenvergaderingen gehouden waarbij de leden konden meebeslissen over het beheer van de fondsen. Leden waren de predikanten die daarvoor in aanmerking wensten te komen.

De Algemeene weduwen- en weezenbeurs der N.H. kerk, later Pensioenraad genaamd, maakte zich sterk voor de centralisatie van de verschillende in het land bestaande fondsen. In 1972 waren op één na alle beurzen in den lande overgegaan naar de Pensioenraad. De Haagse beurzen volgden als laatste in 1981. Voor de uitkeringsgerechtigden in dat jaar werd een voorziening getroffen tot het jaar 2000.

De Christelijke Volksbond

Op initiatief van dominee dr. F. van Gheel Gildemeester en enkele anderen werd in 1889 de Christelijke Volksbond opgericht met als doel de verheffing van de werkmansstand "met verwerping van de leer der sociaal-democratie". Dit doel trachtte men te bereiken door de oprichting van een arbeidsbeurs, sinds 1892 ook voor vrouwen, en werkverschaffing, voornamelijk ter bestrijding van seizoenwerkloosheid. De voornaamste werkverschaffing bestond uit arbeid in de duinen en sneeuwruimen. Ook waren er in het gebouw van de bond smeden, meubelmakers, kleermakers e.d. werkzaam. In hetzelfde kader werd in 1891 de dienstverrichting ingesteld. Een groeiende groep 'bestellers' was beschikbaar voor de meest uiteenlopende diensten zoals huishoudelijk werk, transport, laden en lossen enz.

Naast deze werkverruimende maatregelen organiseerde de bond ook lezingen en cursussen en deelde zij brood en koffie uit in de winter. Later verschafte zij ook beurzen voor ambachtsonderwijs aan zonen van leden. Aan de verstrekking van brood en koffie kwam al spoedig een einde. De arbeidsbeurs werd opgeheven door de toenemende concurrentie van de gemeentelijke arbeidsbeurs. Het ontbreken van geschikt terrein en bovendien een vermindering van inkomsten was de reden voor de opheffing van de werkverschaffing. Concurrentie van particulieren en bezuinigingen bij het publiek deden de dienstverrichting de das om. Het kasboek van de bond loopt door tot oktober 1933. Nadere gegevens over opheffing ontbreken.

Literatuur

Ch. Dumas (red.), Waar Hagenaars kerkten, 's-Gravenhage 1983

W.M. van der Plas-Pronk en G.M. Rijnveld-Nijkamp, Wie niet arbeidt, zal niet eten, scriptie, 's-Gravenhage 1984

E.J.W. Posthumus Meyjes, Hervormd 's-Gravenhage in de negentiende eeuw, 's-Gravenhage 1935

C.J. Toebes, Haagse Hervormde historiën, Zaltbommel 1978

A. van der Weel, Haagse Hervormde kerken en kapellen, Amsterdam 1975

Algemeen jaarboekje voor de protestantsche gemeenten te 's-Gravenhage, 1895 (ook onder iets andere naam verschenen)

De 's-Gravenhaagsche Kerkbode, 1884 -

Verantwoording van de inventarisatie

Ordening

Als scheiding tussen oud en nieuw archief van de kerkeraad had de inventarisator J.W. Verburgt in 1944 1 januari 1913 gekozen, op welke datum het kaartenstelsel voor de inschrijving van lidmaten, dopen en huwelijken in werking trad. Dit bracht echter geen wezenlijke verandering in de administratie teweeg, zodat de inventaris thans is aangevuld t/m het jaar 1946, in welk jaar een archiefcode voor de ordening van de stukken werd ingevoerd. Bovendien zijn in deze inventaris alle gedeponeerde archieven opgenomen waarvan het beginjaar voor 1946 lag. Als bijlage is een uittreksel van de inleiding van J.W. Verburgt betreffende de doop-, trouw- en lidmatenadministratie opgenomen.

Het archief is niet geheel opnieuw geïnventariseerd. Het is slechts opnieuw ingedeeld naar de huidige archivistische inzichten en bovendien zijn de beschrijvingen gecontroleerd. Daar waar dat nodig was zijn ze aangepast. Om de ordening door Verburgt niet geheel verloren te laten gaan zijn de hoofdstukken Bemoeienis met de diaconie en Externe contacten opgenomen. Hieronder bevinden zich voornamelijk stukken die door hem beschreven waren onder het hoofdstuk "Algemeene kerkeraad". Wanneer de serie ingekomen stukken niet pas in 1809 begonnen was, zouden deze stukken gewoon als ingekomen stukken beschouwd en anoniem in de serie gevoegd kunnen worden. Zoals in elk archief betreft de serie ingekomen stukken een groot aantal onderwerpen. In dit archief maken bijvoorbeeld zelfs de jaarrekeningen van de Hervormde scholen die door de kerkeraad goedgekeurd moesten worden, daarvan deel uit. Omdat deze rekeningen vanwege de doorlopende nummering van de ingekomen stukken niet apart in de inventaris konden worden opgenomen, zijn twee oorspronkelijk los beschreven rekeningen aan deze serie toegevoegd.

Via een bij de stukken meegekomen inventaris van het archief van het college van ouderlingen kon de oude orde in dit archiefgedeelte gereconstrueerd worden, om direct daarna weer vervangen te worden door de huidige ordening binnen het archief van de ouderlingen. Het bleek dat nagenoeg alle stukken nog aanwezig waren. Alleen enkele minder belangrijke archivalia, zoals concepten van brieven en drukwerken ontbraken.

Aanwinsten en verliezen

Reeds vroeg zijn belangrijke stukken uit het kerkeraadsarchief verloren gegaan. Zo ontbreken alle 16e-eeuwse stukken en voorts twee notulenregisters (1590-1599 en 1656-1673), nog vermeld in een zelfde register uit 1803 de doopboeken van de Grote en de Kloosterkerk van voor 1629, reeds verdwenen voor 1715 (zie notulen van dat jaar) de 17e-eeuwse lidmatenregistratie en de ingekomen attestaties na 1620 (gedeeltelijk vernietigd) een doop/trouwboek over 1633-1667 van de Hoogduitse gemeente, nog vermeld in 1715 trouwboeken van de Grote Kerk voor 1598.

In 1811 moesten de doopboeken t/m dat jaar aan het Rijk worden overgegeven en in 1812 de trouwboeken t/m 1795. Deze berusten thans in de door het Rijk aan het Gemeentearchief in bewaring gegeven collectie Kerkelijke Registers (bnr. 377).

In 1944 werd het kerkeraadsarchief met enkele aanwinsten verrijkt. De synode stond een aantal stukken af, vermeld onder de inv.nrs. 100-106, 114, 116, 225, 259, 262 (1608-1620), 263, 316, 329, 334 en 339, welke behoord hadden tot het synodaal oud-archief, (nr. 100, bundel XIV, catalogus Janssen) en klaarblijkelijk thuis hoorden in het kerkeraadsarchief. Ook werden enige stukken, vermeld onder de inv.nrs. 109, 119 en 420 verkregen, welke berust hadden onder de archivaris der N.H. kerk.

In 1985 werden van de gemeentearchivaris van Schiedam uit de collectie Van der Poest Clement attestaties over de jaren 1576-1619 ten geschenke ontvangen (gevoegd bij inv.nr. 262). Eveneens in dat jaar werden door bemiddeling van de Tweede afdeling van het Algemeen Rijksarchief de archieven van het Weduwenfonds en de Liefdebeurs in bewaring gegeven, die voorheen bij de archiefdienst der N.H. kerk in de Javastraat te Den Haag hadden berust. Bovendien werden de inv.nrs. 330 en 335, afkomstig uit de bibliotheek van het Gemeentearchief tijdens de inventarisatie aan het archief toegevoegd.

De ingekomen attestaties over de jaren 1874-1875 en 1899-1906 (oude inv.nrs. 59-68) werden in 1984 vernietigd. Tijdens de inventarisatie werden enkele dubbele en niet meer van belang zijnde stukken uit het archief van de kerkeraad en enkele financiële bescheiden en dubbelen uit de archieven van de Liefdebeurs en het Weduwenfonds vernietigd. Ook werden enkele stukken overgebracht naar de bibliotheek van het Gemeentearchief.

Overbrenging

Vanouds berustte het archief van de kerkeraad thuis bij de scriba. In de 19e eeuw werd het opgeborgen in de Grote Kerk. De doopboeken, die bijgehouden werden door de voorlezers der verschillende kerken, berustten aldaar maar moesten als zij vol waren ingeleverd worden bij de kerkeraad. Voor de trouwboeken gold hetzelfde. Alleen de trouwboeken van de Kloosterkerk vielen buiten deze regeling. Deze moesten ingeleverd worden bij de secretarie van Den Haag omdat de kerk eigendom van de Staten van Holland was. De dubbele doopen trouwboeken, aangelegd vanaf 1738, werden bewaard bij de kerkeraad in de consistoriekist.

Het archief werd in 1971 en 1972 aan het Gemeentearchief in bewaring gegeven m.u.v. de dubbele doop-, trouw- en lidmatenregisters en de inv.nrs. 22, 29, 30, 35, 36 en 69-75, die respectievelijk in 1983 (dubbele registers) en 1984 werden overgedragen. In 1971 werd eveneens een verzameling stukken in bewaring gegeven, door het Gemeentearchief genummerd van 1-287. Deze verzameling bestond voornamelijk uit archiefstukken van het college van ouderlingen, uit het bij de kerkeraad gedeponeerde archief van de christelijke volksbond en stukken afkomstig van het kiescollege. Hieraan bleek in 1985 het kasboek van het college van ouderlingen over 1816-1857 te ontbreken. Dit deel komt echter ook niet in de oude inventarissen van dat archief voor! Enkele tientallen nummers bleken bij de archieven van de kerkvoogdij en de diaconie te horen en zijn daarnaar overgebracht.

In 1977 werd het na-oorlogse gedeelte van het archief van het ministerie van predikanten in bewaring gegeven. Het notulenregister van de ouderlingen over 1949-1955 werd in 1981 door de archivaris der Hervormde Kerk in bewaring gegeven. Bij de overbrenging van de archieven van de kerkvoogdij uit de Julianakerk in 1983 werden nog enkele kasboeken en andere (nieuwere) stukken van de commissie voor het godsdienstonderwijs meegenomen en bovendien het archief van de wijkvereniging Transvaalkwartier (in wijk 3), voornamelijk bestaande uit financiële registers. In 1985 werd het presentieregister van ouderlingen in de Nieuwe Kerk over 1933-1949 aangetroffen op de zolder van de Grote Kerk. De inv.nrs. 282, 287, 297, 298, 305 en 306 berusten nog bij de administratie. Inv.nr. 220 is nooit overgedragen en bleek bij navraag bij de administratie in 1984 onvindbaar. Het genoemde kaartsysteem voor de doop, huwelijks- en lidmatenadministratie berust met de bijbehorende jaarlijkse registers over de periode 1913-heden ook nog bij de administratie.

Beperkende bepalingen

De archieven zijn voorzover zij jonger dan 50 jaar zijn niet ter inzage zonder toestemming van de centrale kerkeraad der Hervormde gemeente te 's-Gravenhage.

R. Grootveld, november 1985.

Bijlagen

Index ingekomen attestaties, 1576-1620 (inv.nr. 262)

(De met een * aangegeven stukken berustten sinds 1944 in het archief van de kerkeraad. De andere stukken zijn in 1985 hieraan toegevoegd.)

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Uittreksel inleiding J.W. Verburgt

De doopboeken

Al in 1617 werd besloten dat "Sullen de namen van de gedoopte mitsgaders van de ouders ende getuijgen bij den voorleser in een seecker boeck opgeteeckent worden". Vanouds gebeurde dit door de voorlezers der Grote en Kloosterkerk, maar blijkbaar niet zo nauwgezet, want de kerkenraad besloot in 1638 dat de voorlezers het doopboek in de kerkenkamers op tafel zouden laten liggen en "pertinentelijck aenteeckenen de kinderen, die soo in d'een als d'andere Kercke elcke Predicatie werden gedoopt". In juli van dat jaar gelastte de kerkenraad aan de voorlezers om de datum en de namen der ouders en getuigen, evenals van het gedoopte kind nauwkeurig aan te tekenen. Niet eerder dan anno 1650 gewagen de kerkeraadsnotulen van controle der doopboeken. Ook in 1672 en 1680 kwam de onnauwkeurigheid in het bijhouden van de doopboeken ter sprake en op 7 februari 1681 werd besloten opnieuw bij de voorzangers aan te dringen op een zorgvuldige registratie en de doopboeken iedere vier jaar te laten collationeren met de doopbriefjes door twee predikanten en twee ouderlingen.

In de kerkeraadsvergadering van 2 mei 1681 rapporteerden de predikanten De Lantman en Vollenhove, dat zij in de doopregisters grote "defecten" hadden ontmoet, zoals kinderen aangetekend zonder moeder, zonder vader, de naam van het kind overgeslagen, verkeerde getuigen enz. Besloten werd daarom dat voortaan alle doopbriefjes eerst gegeven zouden worden aan de predikanten, die in de kerk tegenwoordig waren, of aan de aanwezige ouderlingen om ze na te zien en door te geven aan de voorlezers. In 1705 werd nog eens de nadruk gelegd op de voorheen genomen beslissing. Reeds in 1708 werd de bovengenoemde resolutie hernieuwd betreffende het aantekenen der dopelingen en de collationering van het doopboek met de doopbriefjes. In 1713 was het weer nodig dit besluit nadrukkelijk te herhalen. Sindsdien is in het reglement van orde voor de kerkeraad een artikel opgenomen dat jaarlijks deze resolutie ten gehore gebracht moest worden.

In 1650 werd besloten om de volgeschreven doopregisters in bewaring bij de kerkeraad te nemen en niet te laten berusten bij de voorlezers. In 1706 werd de voorzangers der drie kerken nogmaals aangezegd dat deze resolutie gehandhaafd moest worden. In 1715 werd besloten door de scriba een lijst te laten maken van de boeken berustende onder de voorlezers. Minstens eenmaal per jaar zou door elke predikant visie van de boeken genomen moeten worden. De lijst, ingeleverd door de voorzanger der Grote kerk, klopt met de registers aanwezig in het Gemeentearchief, behalve dat de dopelingen van 1642-1650 ingeschreven zijn in één register, terwijl de genoemde lijst twee registers bevat. Zo vermeldt ook de voorlezer der Nieuwe kerk negen registers, van 1656 tot 1712, terwijl over ditzelfde tijdvak er slechts vijf, volledige, berusten in het Gemeentearchief. De lijst der Kloosterkerk klopt precies en die der Hoogduitse kerk vermeldt de volgende registers: een "kerkboek van getrouwde personen en gedoopte kinderen, door elkander, begonnen anno 1633, eindigende 1667, beide incluis. Boek van gedoopte kinderen alleen, begonnen 1681". Het eerste register is niet, het tweede wel in het Gemeentearchief aanwezig.

Om nalatigheid tegen te gaan was het in 1730 nodig geworden om nadruk te leggen op de resolutie van 1 maart 1715, behelzende dat door de predikanten en ouderlingen weer zal worden nagegaan hoe het met de doopboeken staat en dan tevens een lijst van deze te vorderen. Duidelijk blijkt hieruit dat de doopboeken bij de voorlezers berustten. Het "register van de boeken en geschriften der Kerken resorterende onder het Wel Eerw. Classis van s'Hage" enz., anno 1779, vermeldt dan ook dat "de originele doopboeken bij de voorlezers der respective kerken bewaard worden en het doopboek in de Kloosterkerk volgens order van hun Ed. Mog. Heren Gecommitteerde Raden in die kerk moet blijven".

De bijvoeging in het doopboek van het woord echtelieden bij sommige ouders en bij andere niet, die toch wettig gehuwd waren, waarover in de kerkeraadsvergadering van 10 februari 1747 gehandeld was, gaf aanleiding tot de resolutie van 10 maart van dat jaar waarbij besloten werd dat deze bijvoeging niet meer zal worden aangetekend. In 1735 was reeds besloten dat bij het dopen van een onecht kind niet te boek gesteld zal worden: waarvan vader is, maar: waarvan als vader werd opgegeven, en dat op de kant gesteld zou worden: "onecht".

Op 13 augustus 1762 besloot de kerkeraad dat de voorlezers voortaan in de doopboeken niet alleen zouden aantekenen de namen van de "buitenpredikanten", door wie de kinderen gedoopt werden, maar ook hun standplaatsen. Veranderingen in doopinschrijvingen werden tot het jaar 1796 alleen in de originele registers aangebracht. Op 2 december besloot de kerkeraad dit ook in de duplicaten te doen.

Ingevolge de resolutie van de synode van Zuid-Holland werden vanaf 1787 de geboortedata van de dopelingen in de registers opgenomen.

De trouwboeken

De registers van de huwelijksinschrijvingen hebben weinig aanleiding gegeven tot bespreking in de vergaderingen van de kerkeraad. De collationering van deze geschiedde reeds in 1650 en de trouwboeken, welke volgeschreven waren, werden in bewaring genomen door de kerkeraad, behalve de originele registers van de Kloosterkerk, welke ter secretarie van 's-Gravenhage berustten, omdat deze kerk het eigendom was van de Staten van Holland en West-Friesland. Bij iedere voorlezer was een trouwboek ter inschrijving aanwezig. Het dubbele van het trouwboek van de Kloosterkerk berustte vanaf 1785 in de "consistoriekist" Het duplicaat van het trouwboek van de Nieuwe Kerk was in 1786 gereed gekomen en werd in de kist gelegd.

In het reglement van orde voor de kerkeraad van 1828 komt voor, dat in de eerste gewone vergadering na nieuwjaar een commissie benoemd moet worden tot het nazien van de trouwboeken van het vorige jaar en dat in de gewone kerkeraad van augustus rapport gedaan moet worden door deze commissie.

De lidmatenregisters

De eerste maal, dat van een lidmaten-register gewag wordt gemaakt, is anno 1631. De kerkeraadsnotulen van 23 februari vermelden het besluit om een lidmatenregister aan te leggen. Van dit plan schijnt weinig gekomen te zijn, want in de kerkeraad van 1641 werd wederom besloten "dat een boeck sal gemaeckt worden om daarin so de oude als de nieuw-aankomende ledematen te teeckenen. Iedere predikant zou de lidmaten, die in zijn kwartier woonden, in dit register moeten inschrijven en bovendien zou de scriba van de kerkeraad de lidmaten die ieder avondmaal aankwamen, opschrijven. Dit laatste werd vijf jaar later gedaan in een officieel register, waartoe iedere predikant de namen zijner lidmaten aan de scriba moest melden. Ook dit besluit liep op niets uit en eerst in 1681 was zo'n boek gereed gekomen door de zorg van Dr. de Lantman, als oudste predikant daartoe gecommitteerd zijnde. De predikanten zouden hem de namen van de door hen aangetekende lidmaten ter hand stellen en dit zou vervolgens moeten geschieden elke vrijdag na het gehouden eerste avondmaal. Betreffende lidmaten, die zonder attestatie uit het buitenland komen en ingeschreven wilden worden, werd in 1699 bepaald dat zulks kon geschieden onder twee getuigen, die medelidmaten zijn.

Sinds 1705 wordt gesproken van het grote boek der lidmaten. De scriba was gehouden de veranderingen aan te tekenen i.v.m. vertrek, overlijden, attestatie of belijdenis. Op 3 november 1713 werd besloten om het lidmatenboek eenmaal per jaar te collationeren met de geliasseerde briefjes en attestaties. Ook het reglement van orde voor de kerkeraad, van 1828, schrijft het nazien van de lidmatenboeken voor.

Sinds 1732 werden ook de namen van de ouderlingen en de predikant bij het aannemen van nieuwe lidmaten vermeld. In maart 1906 werd door het college van ouderlingen besloten, dat iedere ouderling, die bij de aanneming van nieuwe lidmaten tegenwoordig is geweest, hun inschrijving in het lidmatenboek en in het dubbele daarvan zal controleren, met ondertekening in het lidmatenboek en parafering in het dubbele.

De kerkeraad meldde in 1900 aan het college van kerkvoogden, dat het origineel, het duplicaat en de klapper van de lidmatenregisters door twee ouderlingen werden bijgehouden; later werd het origineel door een ouderling bijgehouden, hetgeen in 1898 door de voorlezer van de Grote Kerk werd overgenomen. Het bijwerken van het duplicaat en de klapper werd aan de kerkbewaarder opgedragen tegen een vergoeding van 20 gulden. Het college van kerkvoogden besloot in 1903 om in het originele lidmatenboek niet meer de namen op te nemen uit de ingekomen attestaties, maar daarvoor een duplicaat-register aan te leggen, beginnende 1901, welk werk opgedragen werd aan de kerkbewaarder van de Grote Kerk.

Het kaartsysteem

In 1910 werden voorstellen gedaan ter verbetering van de administratie van de doop- en lidmatenboeken. De kerkeraad was er in maart 1910 mee accoord gegaan tot het inrichten van een alphabetisch personenbladenregister met handhaving van één van beide bestaande registers. Het duplicaatboek en de als hulpboeken gebezigde klappers zouden daarom voortaan vervangen worden door een alfabetisch geordend kaartsysteem. Op 31 december 1912 kon de commissie tot voorbereiding van de invoering van een kaartsysteem bij de doop-, lidmatenen huwelijksregisters aan de bijzondere kerkeraad berichten dat de nieuwe wijze van boeking met ingang van januari 1913 zou aanvangen.

De boeking zou zijn drieërlei:

1 alfabetisch, door de alfabetische rangschikking van de persoonskaarten, in laden geborgen in een archiefkast in de consistoriekamer van de Grote Kerk,

2 chronologisch, blijkens de jaarregisters, gehouden door de verschillende kerkbewaarders en op geregelde tijden ter inzage gegeven aan de kerkbewaarder van de Grote Kerk tot het bijwerken van de persoonskaarten, om na het eindigen van elk jaar geplaatst te worden in de kluis van de Willemskerk,

3 voorlopig in dezelfde volgorde, door de in portefeuilles te verzamelen aanvraagbiljetten voor doopsbediening, geloofsbelijdenis of huwelijksinzegening, te bergen in een der kasten van de Grote Kerk.

Deze volgorde zou later geregeld kunnen worden naar de plaats van woning.

Keywords

Subjects:

Religie en Levensbeschouwing

Records creator

Kerkeraad Hervormde gemeente

Ds. J. Vollenhove

Engelse kerk

Weduwenfonds

Ministerie van predikanten

Liefdebeurs

Gezelschap, later College van ouderlingen

Commissie voor het godsdienstonderwijs

Kerkmeesters hervormde gemeente

Nederlandsch bijbelgenootschap, afd. 's-Gravenhage

Commissie van toezicht op de overgangen tot de R.K. kerk

Ds. J.J. van den Broek

Ds. A.J.A. Vermeer

Ds. E.J.W. Posthumus Meyjes

Christelijke Volksbond

Wijkvereniging Transvaalkwartier (in wijk III)

Protestantsch bureau van advies voor Indische zaken, sedert 1937 Commissie van de kerkeraad tot behartiging van de geestelijke belangen van Indische mensen

Commissie uit de kerkeraad voor het werk in de ziekenhuizen

Stichting Jeugd Kerkewerk

Kerkeraad van wijkgemeente 28

Commissie Rome-Reformatie

Commissie stadskerkewerk

Stichting interkerkelijk overleg in schoolzaken

Commissie contact militairen

Commissie bijzonder kerkewerk