Periode 1576-1946
Geschiedenis van de archiefvormende instanties
De Hervormde gemeente
Ondanks het feit dat het hier slechts een inventaris van één van de drie colleges
van de Hervormde gemeente te 's-Gravenhage betreft (de kerkvoogdij en de diaconie
zijn in aparte inventarissen beschreven), is het toch noodzakelijk iets over de Hervormde
gemeente in haar geheel te zeggen. De eerste "hervormingsgezinde" gemeente alhier
treedt op in 1566. In dat jaar werd een hagepreek op de Kneuterdijk gehouden en vond
de beeldenstorm plaats. In de daarop volgende jaren wisselden de kansen voor protestanten
en katholieken telkens. Pas in 1572 wordt de eerste hervormde predikant genoemd en
in 1574 een tweede. Vanaf 1576 is met zekerheid te stellen dat de Grote Kerk uitsluitend
voor de Hervormde eredienst gebruikt werd. In dat jaar wordt ook de eerste vergadering
gehouden van wat later de classis 's-Gravenhage zou heten. Deze classis omvatte de
Hervormde gemeenten 's-Gravenhage, Scheveningen, Loosduinen, Wassenaar, Monster, Ter
Heijde, 's-Gravenzande, Wateringen, Rijswijk en Voorburg. In 1816 werden hieraan de
gemeenten van de voormalige classis Delft toegevoegd. De classes waren verdeeld in
ringen naar evenredigheid van het aantal lidmaten. De Hervormde gemeente te 's-Gravenhage
vormde in haar geheel de Ring 's-Gravenhage. Tot 1951 behoorden ook de Waals Hervormde
predikanten in Den Haag tot de Ring 's-Gravenhage. Vanaf dat jaar vormen alle Waalse
gemeenten in Nederland één aparte ring. Ook de zgn. Hoogduitse hervormden hadden hier
een gemeente; reden waarom de "oude" Hervormden de Nederduitse Hervormden werd genoemd.
In oorsprong waren de Hoogduitse Hervormden volgelingen van Frederik V van de Palts,
de Winterkoning, die hier in 1626 een eigen predikant kregen. Deze moest echter bij
toerbeurt ook diensten in de Nederduitse kerken voorgaan. In 1818 werd de predikantsplaats
opgeheven. Nog enkele malen gingen Haagse dominees in het Duits de diensten voor getuige
het trouwboek van de Hoogduitse kerk, dat de jaren tot 1821 bestrijkt.
In de loop der eeuwen is het aantal kerkgebouwen van de Hervormde gemeente flink toegenomen.
Tot in de 19e eeuw had men genoeg aan de Grote Kerk, de Kloosterkerk (vanaf 1617)
en de Nieuwe Kerk (vanaf 1656). Met de groei van de stad nam echter ook het aantal
lidmaten en de behoefte aan kerken toe. Achtereenvolgens werden de Willemskerk (1856),
de Bethlehemskerk (1858), de Zuiderkerk (1888) en de Regentessekerk (1901) in gebruik
genomen. In de eerste helft van de 20e eeuw volgen nog de Wilhelminakerk (1908), de
Julianakerk (1926), de (nieuwe) Bethlehemkerk (1931), de Duinzichtkerk en de Oranjekerk
(beiden in 1935). Tot aan 1946 zijn slechts twee kerken verloren gegaan voor de Hervormde
eredienst: de (oude) Bethlehemskerk was oorspronkelijk als armenkerk gebouwd en werd
vanaf 1873 voornamelijk voor kinderdiensten gebruikt. Omdat de kerk niet meer aan
haar doel voldeed werd zij in 1928 verkocht aan de Gereformeerde Gemeente. De Wilhelminakerk
werd verwoest bij het bombardement op het Bezuidenhout in 1945.
De Kerkeraad
In Den Haag waren er tot 1948 een algemene en een bijzondere kerkeraad. De algemene
of grote kerkeraad bestond uit de predikanten, ouderlingen en diakenen. De bijzondere
kerkeraad bestond alleen uit predikanten en ouderlingen. Vanaf 1891 treedt er een
Commissie van dagelijks bestuur op, later genaamd Moderamen en nog later Groot Moderamen.
De ouderlingen en diakenen werden tot 1688 gekozen door de mannelijke lidmaten. In
dat jaar bepaalden het Hof van Holland en de magistraat van Den Haag dat dit voortaan
door de kerkeraad zou geschieden. Ingevolge de invoering van het nieuwe reglement
op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten werd in
1867 een kiescollege ingesteld. Dit kiescollege bestond uit gemachtigden van de stemgerechtigde
lidmaten en zou op verzoek van de kerkeraad bijeenkomen ter beroeping of benoeming
van ambtsdragers. Iedere tien jaar, te beginnen in 1871, zou de gemeente zich mogen
uitspreken over de vraag of dit recht bij de kerkeraad of bij het kiescollege zou
liggen. In 1931 viel de stemming ten gunste van de kerkeraad uit. Het kiescollege
werd toen opgeheven.
Op de tientallen kleine en grotere kwesties betreffende de geestelijke verzorging
van de gemeente zal hier niet worden ingegaan. Enkele springen er echter uit en hebben
ook hun neerslag in het archief achtergelaten. Zo waren er rond 1870 problemen met
de moderne dominee dr. J.C. Zaalberg en in 1853 laaiden de gemoederen hoog op bij
het herstel van de Rooms-katholieke hiërarchie in Nederland. Koning Willem III sprak
zich toen duidelijk uit voor de Hervormde Kerk door zijn manege in het Willemspark
aan de Hervormde gemeente te schenken. Deze werd omgebouwd tot Willemskerk. De Afscheiding
in 1834 deed uiteraard ook het nodige stof opwaaien. Deze zaken waren echter minder
ingrijpend voor de kerkeraad dan de gebeurtenissen in 1617: een groep verontruste
protestanten had in 1610 bij de overheid een zgn. Remonstrantie ingediend, waarnaar
zij later de Remonstranten genoemd zouden worden. In het kort kwam het erop neer dat
de Remonstranten geloofden in de vrije wil van mensen om Gods genade aan te nemen
of niet.
De (onvermijdelijk zo genoemde) Contra-Remonstranten geloofden in de voorbeschikking
ten verderve van iedereen. In Den Haag manifesteerde het verschil in deze twee groepen
zich in de hofpredikant Johannes Uyttenbogaert, Remonstrant en dominee Henricus Roseus.
In februari 1616 werd ds. Roseus door de Staten van Holland het preken verboden. Hij
ging nu ter kerke in Rijswijk en verzamelde daar een grote groep aanhangers om zich
heen. Ondanks het verbod preekte hij toch en het aantal aanhangers van ds. Roseus
nam zodanig toe dat een grotere ruimte voor de diensten noodzakelijk was. Op voorspraak
van Prins Maurits werd hen in 1617 de kapel van het Sacramentsgasthuis aan het Noordeinde
ter beschikking gesteld. Enkele maanden later werd geëist de Grote Kerk vrij te geven
maar de Staten stelden voorlopig de Kloosterkerk ter beschikking. Toen maatregelen
tot uitvoering van dat besluit achterwege bleven 'kraakten' de Contra-Remonstranten
de Kloosterkerk. Prins Maurits ging daar op 16 juli 1617 openlijk ter kerke en liet
zo aan duidelijkheid niets te wensen over. De Kloosterkerk werd in die tijd door de
voorstanders Prinsekerk genoemd. De oorspronkelijke hervormden, die nog in de Grote
Kerk ter kerke gingen, gebruikten de naam Scheurkerk. In 1619 kozen de Staten eieren
voor hun geld en herstelden ds. Roseus weer in het ambt. Enkele weken later werd de
oude kerkeraad afgezet en vervangen door de Contra-Remonstrantse. De Remonstranten
herstelden zich spoedig van deze slag en hielden hun eigen diensten bij particulieren
thuis. In 1631 werd door hen een schuilkerk aan de Laan gebouwd.
Het Ministerie van predikanten
Oorspronkelijk had de Haagse gemeente drie predikanten. In 1590 werd hier een vierde
aan toegevoegd, die tevens als hofprediker dienst zou doen. In de 17e eeuw deden de
5e t/m 8e predikant hun intrede. De 18e eeuw leverde slechts één predikantsplaats
extra op in 1748. De tiende predikant werd bevestigd in 1831. Hieraan waren vele jaren
van strijd vooraf gegaan. In 1818 was namelijk de Hoogduitse predikant, die ook in
Nederduitse diensten voorging, met emeritaat gegaan en zijn plaats opgeheven. Het
duurde om uiteenlopende redenen maar liefst 13 jaar voordat van de koning toestemming
werd verkregen voor de beroeping van een andere predikant. Was het in de 19e eeuw
de koning die moeilijkheden veroorzaakte, voor de Franse Tijd waren dat het Hof van
Holland en de magistraat van Den Haag die handopening moesten verlenen bij de beroeping
van een nieuwe predikant. Zij droegen ook bij in een belangrijk deel van het traktement
zodat enige invloed wel gerechtvaardigd was. In 1694 konden Hof, magistraat en kerkeraad
het niet eens worden over een nieuwe predikant. Stadhouder Willem III moest toen de
beslissing nemen.
Waarschijnlijk was er reeds in de 17e eeuw sprake van een ministerie van predikanten.
Dit diende voornamelijk als overlegorgaan tussen de predikanten onderling waarbij
bijvoorbeeld preekroosters werden vastgesteld en de belangen van de hieronder te noemen
weduwenbeurzen werden besproken. Pas vanaf 1745 en eigenlijk pas vanaf 1793 is archiefmateriaal
van dit college bewaard gebleven. In 1793 moest het ministerie met spijt constateren
dat wijlen collega Muilman weliswaar in 1745 een zeer fraai notulenregister had aangelegd
maar het na één vergadering voor gezien had gehouden en verder alles op losse vellen
had geschreven. In zijn boedel waren enkele vellen aangetroffen. Deze zijn echter
niet meer in het archief aanwezig. Tot het ministerie behoorde ook de Hoogduitse predikant
maar niet de Franse of Waalse. Wanneer met de Franse predikant vergaderd werd sprak
men van gecombineerd of breed ministerie.
In de bibliotheek van de kerkeraad, in bewaring gegeven bij het Gemeentearchief, berusten
portretten van nagenoeg alle Haagse predikanten sinds de reformatie.
Het College van ouderlingen
Aanvankelijk Gezelschap van ouderlingen genaamd was dit college voornamelijk bedoeld
als gezelligheidsvereniging. Waarschijnlijk werd het opgericht in of vlak voor 1787.
Allengs werden de vergaderingen van dit college echter gebruikt om de zaken die in
de kerkeraad aan de orde kwamen nog eens duchtig door te nemen. De zeer uitgebreide
notulen geven vaak meer informatie over bepaalde zaken dan die van de kerkeraad. Helaas
is er een zeer groot hiaat in de serie. Ook de over allerlei onderwerpen verzamelde
stukken sluiten goed aan bij het archief van de kerkeraad. Het college had verder
geen specifieke bevoegdheden.
De namen van de ouderlingen zijn in gedrukte almanakken en jaarboekjes eenvoudig terug
te vinden.
Het Weduwenfonds en de Liefdebeurs
Het Weduwenfonds, ook wel kerkeraadsbeurs of fonds der predikantsweduwen genoemd,
werd gesticht in 1636 uit een legaat. In 1669 werd hier nog eens een bedrag van f.
10.000, aan toegevoegd uit een ander legaat. Het fonds had ten doel de weduwen van
de Nederen Hoogduitse predikanten te ondersteunen. Het werd beheerd door een quaestor,
één van de predikanten, die benoemd werd door de kerkeraad. Jaarlijks werd het uit
te keren bedrag vastgesteld. Bij mee- of tegenvallers in het financiële beheer werd
het aangepast. Door goede belegging van de gelden in de 18e eeuw en daarna nam het
vermogen van het fonds steeds toe.
De Liefdebeurs was eigenlijk ook een weduwen- en wezenfonds. Het werd gesticht in
1740 door de gezamenlijke Hoogen Nederduitse en de Franse predikanten in Den Haag
en had tot doel de ondersteuning van weduwen en wezen van die predikanten. De inkomsten
werden verkregen uit de verpachting van het recht van publicatie van de preekbeurtenbriefjes.
Dit waren blaadjes waarop per week de preekbeurten in de verschillende kerken waren
aangegeven. Vele Hagenaars waren hierop geabonneerd. In de 19e eeuw werden ook de
preekbeurten van andere protestantse kerkgenootschappen opgenomen. Aan het einde van
de vorige eeuw werden de gegevens opgenomen in de 's-Gravenhaagsche Kerkbode. De uitgever
betaalde jaarlijks een bedrag voor het recht van uitgave. Ook hier nam door verstandige
belegging het vermogen steeds toe. Het beheer van het fonds was eveneens in handen
van een quaestor, die door de gezamenlijke predikanten benoemd werd. In de 19e eeuw
ging dit recht ongemerkt over op het bestuur van de Ring 's-Gravenhage. De reden hiervoor
zal wel zijn geweest dat zowel de Nederlandse Hervormde als de Waalse predikanten
in de Ring zitting hadden. Wat was dan makkelijker dan de Ringvergadering te benutten
voor Liefdebeurszaken? In het begin van de vorige eeuw behandelde het gecombineerd
ministerie van predikanten deze zaken.
De in 1955 benoemde quaestor van beide beurzen hield de administratie niet meer gescheiden.
Ook de opzet van het beheer veranderde enigszins. Voortaan werden er ledenvergaderingen
gehouden waarbij de leden konden meebeslissen over het beheer van de fondsen. Leden
waren de predikanten die daarvoor in aanmerking wensten te komen.
De Algemeene weduwen- en weezenbeurs der N.H. kerk, later Pensioenraad genaamd, maakte
zich sterk voor de centralisatie van de verschillende in het land bestaande fondsen.
In 1972 waren op één na alle beurzen in den lande overgegaan naar de Pensioenraad.
De Haagse beurzen volgden als laatste in 1981. Voor de uitkeringsgerechtigden in dat
jaar werd een voorziening getroffen tot het jaar 2000.
De Christelijke Volksbond
Op initiatief van dominee dr. F. van Gheel Gildemeester en enkele anderen werd in
1889 de Christelijke Volksbond opgericht met als doel de verheffing van de werkmansstand
"met verwerping van de leer der sociaal-democratie". Dit doel trachtte men te bereiken
door de oprichting van een arbeidsbeurs, sinds 1892 ook voor vrouwen, en werkverschaffing,
voornamelijk ter bestrijding van seizoenwerkloosheid. De voornaamste werkverschaffing
bestond uit arbeid in de duinen en sneeuwruimen. Ook waren er in het gebouw van de
bond smeden, meubelmakers, kleermakers e.d. werkzaam. In hetzelfde kader werd in 1891
de dienstverrichting ingesteld. Een groeiende groep 'bestellers' was beschikbaar voor
de meest uiteenlopende diensten zoals huishoudelijk werk, transport, laden en lossen
enz.
Naast deze werkverruimende maatregelen organiseerde de bond ook lezingen en cursussen
en deelde zij brood en koffie uit in de winter. Later verschafte zij ook beurzen voor
ambachtsonderwijs aan zonen van leden. Aan de verstrekking van brood en koffie kwam
al spoedig een einde. De arbeidsbeurs werd opgeheven door de toenemende concurrentie
van de gemeentelijke arbeidsbeurs. Het ontbreken van geschikt terrein en bovendien
een vermindering van inkomsten was de reden voor de opheffing van de werkverschaffing.
Concurrentie van particulieren en bezuinigingen bij het publiek deden de dienstverrichting
de das om. Het kasboek van de bond loopt door tot oktober 1933. Nadere gegevens over
opheffing ontbreken.
Literatuur
Ch. Dumas (red.), Waar Hagenaars kerkten, 's-Gravenhage 1983
W.M. van der Plas-Pronk en G.M. Rijnveld-Nijkamp, Wie niet arbeidt, zal niet eten,
scriptie, 's-Gravenhage 1984
E.J.W. Posthumus Meyjes, Hervormd 's-Gravenhage in de negentiende eeuw, 's-Gravenhage
1935
C.J. Toebes, Haagse Hervormde historiën, Zaltbommel 1978
A. van der Weel, Haagse Hervormde kerken en kapellen, Amsterdam 1975
Algemeen jaarboekje voor de protestantsche gemeenten te 's-Gravenhage, 1895 (ook onder
iets andere naam verschenen)
De 's-Gravenhaagsche Kerkbode, 1884 -
Verantwoording van de inventarisatie
Ordening
Als scheiding tussen oud en nieuw archief van de kerkeraad had de inventarisator J.W.
Verburgt in 1944 1 januari 1913 gekozen, op welke datum het kaartenstelsel voor de
inschrijving van lidmaten, dopen en huwelijken in werking trad. Dit bracht echter
geen wezenlijke verandering in de administratie teweeg, zodat de inventaris thans
is aangevuld t/m het jaar 1946, in welk jaar een archiefcode voor de ordening van
de stukken werd ingevoerd. Bovendien zijn in deze inventaris alle gedeponeerde archieven
opgenomen waarvan het beginjaar voor 1946 lag. Als bijlage is een uittreksel van de
inleiding van J.W. Verburgt betreffende de doop-, trouw- en lidmatenadministratie
opgenomen.
Het archief is niet geheel opnieuw geïnventariseerd. Het is slechts opnieuw ingedeeld
naar de huidige archivistische inzichten en bovendien zijn de beschrijvingen gecontroleerd.
Daar waar dat nodig was zijn ze aangepast. Om de ordening door Verburgt niet geheel
verloren te laten gaan zijn de hoofdstukken Bemoeienis met de diaconie en Externe
contacten opgenomen. Hieronder bevinden zich voornamelijk stukken die door hem beschreven
waren onder het hoofdstuk "Algemeene kerkeraad". Wanneer de serie ingekomen stukken
niet pas in 1809 begonnen was, zouden deze stukken gewoon als ingekomen stukken beschouwd
en anoniem in de serie gevoegd kunnen worden. Zoals in elk archief betreft de serie
ingekomen stukken een groot aantal onderwerpen. In dit archief maken bijvoorbeeld
zelfs de jaarrekeningen van de Hervormde scholen die door de kerkeraad goedgekeurd
moesten worden, daarvan deel uit. Omdat deze rekeningen vanwege de doorlopende nummering
van de ingekomen stukken niet apart in de inventaris konden worden opgenomen, zijn
twee oorspronkelijk los beschreven rekeningen aan deze serie toegevoegd.
Via een bij de stukken meegekomen inventaris van het archief van het college van ouderlingen
kon de oude orde in dit archiefgedeelte gereconstrueerd worden, om direct daarna weer
vervangen te worden door de huidige ordening binnen het archief van de ouderlingen.
Het bleek dat nagenoeg alle stukken nog aanwezig waren. Alleen enkele minder belangrijke
archivalia, zoals concepten van brieven en drukwerken ontbraken.
Aanwinsten en verliezen
Reeds vroeg zijn belangrijke stukken uit het kerkeraadsarchief verloren gegaan. Zo
ontbreken alle 16e-eeuwse stukken en voorts twee notulenregisters (1590-1599 en 1656-1673),
nog vermeld in een zelfde register uit 1803 de doopboeken van de Grote en de Kloosterkerk
van voor 1629, reeds verdwenen voor 1715 (zie notulen van dat jaar) de 17e-eeuwse
lidmatenregistratie en de ingekomen attestaties na 1620 (gedeeltelijk vernietigd)
een doop/trouwboek over 1633-1667 van de Hoogduitse gemeente, nog vermeld in 1715
trouwboeken van de Grote Kerk voor 1598.
In 1811 moesten de doopboeken t/m dat jaar aan het Rijk worden overgegeven en in 1812
de trouwboeken t/m 1795. Deze berusten thans in de door het Rijk aan het Gemeentearchief
in bewaring gegeven collectie Kerkelijke Registers (bnr. 0377-01).
In 1944 werd het kerkeraadsarchief met enkele aanwinsten verrijkt. De synode stond
een aantal stukken af, vermeld onder de inv.nrs. 100-106, 114, 116, 225, 259, 262
(1608-1620), 263, 316, 329, 334 en 339, welke behoord hadden tot het synodaal oud-archief,
(nr. 100, bundel XIV, catalogus Janssen) en klaarblijkelijk thuis hoorden in het kerkeraadsarchief.
Ook werden enige stukken, vermeld onder de inv.nrs. 109, 119 en 420 verkregen, welke
berust hadden onder de archivaris der N.H. kerk.
In 1985 werden van de gemeentearchivaris van Schiedam uit de collectie Van der Poest
Clement attestaties over de jaren 1576-1619 ten geschenke ontvangen (gevoegd bij inv.nr.
262). Eveneens in dat jaar werden door bemiddeling van de Tweede afdeling van het
Algemeen Rijksarchief de archieven van het Weduwenfonds en de Liefdebeurs in bewaring
gegeven, die voorheen bij de archiefdienst der N.H. kerk in de Javastraat te Den Haag
hadden berust. Bovendien werden de inv.nrs. 330 en 335, afkomstig uit de bibliotheek
van het Gemeentearchief tijdens de inventarisatie aan het archief toegevoegd.
De ingekomen attestaties over de jaren 1874-1875 en 1899-1906 (oude inv.nrs. 59-68)
werden in 1984 vernietigd. Tijdens de inventarisatie werden enkele dubbele en niet
meer van belang zijnde stukken uit het archief van de kerkeraad en enkele financiële
bescheiden en dubbelen uit de archieven van de Liefdebeurs en het Weduwenfonds vernietigd.
Ook werden enkele stukken overgebracht naar de bibliotheek van het Gemeentearchief.
Overbrenging
Vanouds berustte het archief van de kerkeraad thuis bij de scriba. In de 19e eeuw
werd het opgeborgen in de Grote Kerk. De doopboeken, die bijgehouden werden door de
voorlezers der verschillende kerken, berustten aldaar maar moesten als zij vol waren
ingeleverd worden bij de kerkeraad. Voor de trouwboeken gold hetzelfde. Alleen de
trouwboeken van de Kloosterkerk vielen buiten deze regeling. Deze moesten ingeleverd
worden bij de secretarie van Den Haag omdat de kerk eigendom van de Staten van Holland
was. De dubbele doopen trouwboeken, aangelegd vanaf 1738, werden bewaard bij de kerkeraad
in de consistoriekist.
Het archief werd in 1971 en 1972 aan het Gemeentearchief in bewaring gegeven m.u.v.
de dubbele doop-, trouw- en lidmatenregisters en de inv.nrs. 22, 29, 30, 35, 36 en
69-75, die respectievelijk in 1983 (dubbele registers) en 1984 werden overgedragen.
In 1971 werd eveneens een verzameling stukken in bewaring gegeven, door het Gemeentearchief
genummerd van 1-287. Deze verzameling bestond voornamelijk uit archiefstukken van
het college van ouderlingen, uit het bij de kerkeraad gedeponeerde archief van de
christelijke volksbond en stukken afkomstig van het kiescollege. Hieraan bleek in
1985 het kasboek van het college van ouderlingen over 1816-1857 te ontbreken. Dit
deel komt echter ook niet in de oude inventarissen van dat archief voor! Enkele tientallen
nummers bleken bij de archieven van de kerkvoogdij en de diaconie te horen en zijn
daarnaar overgebracht.
In 1977 werd het na-oorlogse gedeelte van het archief van het ministerie van predikanten
in bewaring gegeven. Het notulenregister van de ouderlingen over 1949-1955 werd in
1981 door de archivaris der Hervormde Kerk in bewaring gegeven. Bij de overbrenging
van de archieven van de kerkvoogdij uit de Julianakerk in 1983 werden nog enkele kasboeken
en andere (nieuwere) stukken van de commissie voor het godsdienstonderwijs meegenomen
en bovendien het archief van de wijkvereniging Transvaalkwartier (in wijk 3), voornamelijk
bestaande uit financiële registers.
In 1985 werd het presentieregister van ouderlingen in de Nieuwe Kerk over 1933-1949
aangetroffen op de zolder van de Grote Kerk. De inv.nrs. 282, 287, 297, 298, 305 en
306 berusten nog bij de administratie. Inv.nr. 220 is nooit overgedragen en bleek
bij navraag bij de administratie in 1984 onvindbaar. Het genoemde kaartsysteem voor
de doop, huwelijks- en lidmatenadministratie met de bijbehorende jaarlijkse registers
over de periode 1913-'heden' is tussen 1996 en 2019 aan het Haags Gemeentearchief
overgedragen.
Het archief van de 's-Gravenhaagse Bijbelvereniging, eens gedeponeerd bij de kerkenraad
maar teruggegeven, werd in 1984 aan het Gemeentearchief in bewaring gegeven (zie toegang
0669-01).
Beperkende bepalingen
De archieven zijn voorzover zij jonger dan 50 jaar zijn niet ter inzage zonder toestemming
van de centrale kerkeraad der Hervormde gemeente te 's-Gravenhage.
R. Grootveld, november 1985.
Periode 1947-1997
Geschiedenis van de archiefvormer
De Hervormde gemeente 's-Gravenhage beschikte na de Tweede Wereldoorlog over elf kerkgebouwen.
In de oude binnenstad waren dat de Grote Kerk, Kloosterkerk en Nieuwe Kerk. In de
19e-eeuwse stadsuitbreidingen stonden de Willemskerk, de Zuiderkerk en de Julianakerk.
Uit de eerste helft van de 20e eeuw dateerden de Regentessekerk, Bethlehemkerk, Oranjekerk
en Duinzichtkerk. Aan de Beeklaan stond de in 1936 gebouwde Houtrustkerk van de Vereniging
van vrijzinnige hervormden.
De Wilhelminakerk (1908) werd verwoest bij het bombardement in 1945 en de Duinoordkerk
(1922) werd gesloopt in 1942 bij de aanleg van de Atlantikwall. De Duinoordgemeente
vond toen onderdak in de Kloosterkerk.
In de jaren 1950 groeiden de stad en ook het aantal gemeenteleden. Dat resulteerde
in nieuwe wijkgemeenten en kerkgebouwen: in 1948 de Goede Vrijdagkapel (sinds 1960
Goede Vrijdagkerk), 1949 de Maranathakerk, 1951 de Paaskerk (later Thomaskerk), 1954
de Adventkerk en de Pauluskerk, 1955 de Zorgvlietkerk, 1956 de (nieuwe) Wilhelminakerk,
1957 de Immanuelkerk, 1961 de Marcuskerk en in 1962 de Christus Triomfatorkerk. Daarmee
bereikte de hervormde gemeente wel haar grootste omvang ooit. De gemeenteleden konden
in 1962 terecht in 29 kerken, kapellen en wijkcentra. Ter illustratie van de groei:
in 1959 werd de Johanneskapel (later Bosbeskapel) in gebruik genomen voor de al sinds
1943 bestaande 22e wijkgemeente, die uit haar jasje groeide in de Bethlehemkerk.
De in de jaren 1960 ingezette trend tot vertrek uit de traditionele kerken, leidde
tot een sterke afname van het aantal kerkelijk betrokkenen. Het aantal inwoners in
het centrum van de stad nam fors af, de oude kerken liepen leeg en in de nieuwe wijken
ontstonden andere geestelijke behoeften. Al voor 1960 waren de wijkgemeenten 4 en
5 (Nieuwe Kerk) samengevoegd en ook de wijkgemeenten 8 en 9, die bijeen kwamen in
het gebouw Uw Koninkrijk Kome aan de Koningin Emmakade.
De exploitatie van De Grote Kerk werd in 1982 ondergebracht in een stichting en de
Nieuwe Kerk functioneerde sinds 1976 vooral als concertzaal. Eredienst bleef in beide
kerken mogelijk. De Willemskerk en de Regentessekerk werden in 1971 respectievelijk
1975 gesloopt. De Goede Vrijdagkerk werd in 1973 in gebruik genomen als synagoge en
in 1988 gesloopt. De Zuiderkerk brandde af in 1979; de Oranjekerk werd in 1991 buiten
gebruik gesteld en brandde in 1994 af. De Zorgvlietkerk (1993), de Adventkerk en de
Wilhelminakerk (beide 1998) werden ook gesloopt. De Immanuelkerk raakte in 1996 buiten
gebruik en werd later een moskee. De Julianakerk bleef behouden maar deed vanaf 1997
geen dienst meer als kerkelijk centrum. In 2005 werd de Pauluskerk gesloopt.
De organisatie van de Hervormde gemeente bleef in de tweede helft van de 20e eeuw
nagenoeg ongewijzigd. In de stad fungeerden wijkgemeenten (in 1960: 31) die met de
invoering van de landelijke kerkorde in 1950 een grotere zelfstandigheid kregen. Zij
hadden een eigen predikant, ouderlingen, diakenen en kerkvoogden. Centraal kwamen
deze bestuurlijk samen in de Centrale kerkenraad voor de organisatie en geestelijke
zorg, de Centrale kerkvoogdij voor het materiële en financiële beheer en de Diaconie
voor de zorg en ondersteuning.
Vanaf de jaren (19)90 ontstonden op verschillende plekken in de stad samenwerkingsverbanden
met Gereformeerde kerkgemeenten in het kader van Samen op Weg. Op 1 mei 2004 zou dat
resulteren in een landelijke fusie van de Nederlandse Hervormde kerk, De Gereformeerde
Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.
Geschiedenis van het archief
Het archief van de Centrale Kerkenraad werd bijgehouden in het Bureau van de Hervormde
gemeente in de Wilhelminakerk. Vincent Klooster inventariseerde het te bewaren gedeelte
over de jaren 1948-1989. In 1997 werd dit overgedragen aan het Haags Gemeentearchief.
Daarbuiten vielen de lidmatenkaarten A-S en 164 dozen geordend op een door de Hervormde
gemeente toegepaste code. Rond 2003/2006 volgde nog een aanvulling over de jaren 1989-1997.
Openbaarheid
De openbaarheid van het archief is beperkt. Archiefbescheiden jonger dan 50 jaar en
de persoonlijke levenssfeer rakende bescheiden jonger dan 75 jaar mogen slechts worden
geraadpleegd met toestemming van de Centrale Kerkenraad van de Hervormde gemeente
te Den Haag.