Netherlands > Regionaal Archief Rivierenland

3004

Archief van het gemeentebestuur van Rossum, 1810 - 1955

1810 - 1955
2018
Regionaal Archief Rivierenland
Nederlands

General remarks

Dekking in tijd

1810 - 1955

Plaats

Hurwenen, Rossum, Heerewaarden

Verversingsgraad

onregelmatig

Taal

Nederlands

Omvang in meters

41,50

Toegangstitel

Archieven van de gemeenten Hurwenen en Rossum 1810-1817, Rossum, Hurwenen en Heerewaarden 1818-1820 en Rossum 1821-1955

Gemeente

Maasdriel

Locatie

Hurwenen, Rossum, Heerewaarden

Other descriptive information

Bestuur

Het dorp Rossum heeft in de periode van 1810-1955 deel uitgemaakt van drie verschillende gemeenten, zodat er ook sprake is van drie gemeentelijke archieven.
In 1810, tijdens de Franse overheersing, werd Nederland bij Frankrijk ingelijfd, het zuidelijk deel van Nederland, waaronder de Bommelerwaard, het eerst. Op basis van het tractaat van 16 maart 1810 deed de Franse bestuursstructuur zijn intrede: er kwam een verdeling in departementen in plaats van de gewesten die tot dan hadden bestaan. De departementen werden onderverdeeld in arrondissementen en kantons bij keizerlijk decreet van 14 mei 1810. De Bommelerwaard werd ingedeeld in het Departement van de Monden van de Rijn (Département des Bouches du Rhin), arrondissement 's-Hertogenbosch, kanton Bommel.
Er is uit 1810 een overzicht bewaard gebleven van de gemeentelijke indeling: 'Division territoriale du Département des bouches du Rhin, noms des mairies et hameaux qui en dépendent’ (territoriale indeling van het departement van de monden van de Rijn, namen van de gemeenten en gehuchten die erbij horen). Op deze lijst staat de gemeente Hurwenen vermeld (gespeld 'Herwynen’), en als 'gehucht dat erbij hoort’: Rossum.
Aan het hoofd van de gemeente Hurwenen en Rossum kwam een maire te staan, de uit Hurwenen afkomstige Christiaan van Veltdriel, bijgestaan door een adjoinct-maire en tien municipale raden.

Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 bleef de bestuursstructuur aanvankelijk zoals die onder het Franse bewind was. Pas in 1814 werd de Bommelerwaard bij het Departement van de Boven-IJssel gevoegd. 1) Bij de grondwet die in dat jaar tot stand kwam werd ook de provincie Gelderland gevormd.
Bij koninklijk besluit van 11 februari 1817 werd het ‘Reglement voor het platteland van de provincie Gelderland’ vastgesteld. Dit betekende opnieuw een verandering: het platteland van Gelderland werd verdeeld in 17 hoofdschoutambten, waarvan de Bommelerwaard er één was. Rossum werd samengevoegd met Hurwenen en Heerewaarden. Samen vormden ze het schoutambt Rossum. Het plaatselijk bestuur bestond uit een schout, twee assessoren (later: wethouders) en twee raadsleden. De hoofdschout van de Bommelerwaard was belast met het toezicht op de plaatselijke besturen.
De taak van de schout was het voorzitten van de vergaderingen van de gemeenteraad en van het dagelijks bestuur, het uitvoeren van de besluiten van de raad, de wetten en de door de raad vastgestelde verordeningen. De assessoren moesten hem helpen zijn taken te vervullen. Schout en assessoren moesten tenminste eenmaal per veertien dagen vergaderen, en verder zo vaak als nodig was. 2) De gemeenteraad vergaderde eens in de drie maanden, of wanneer het naar het oordeel van de schout nodig was. 3)
Tot schout werd benoemd Jasper Ganderheyden, rentmeester van baron van Randwijck, de heer van Rossum. De heerlijke rechten, die bij de komst van de Fransen in 1795 afgeschaft werden, waren in die tijd in zoverre hersteld, dat de heer bij de koning een voordracht kon doen voor de benoeming van de schout en bij provinciale staten voor de benoeming van raadsleden. 4) De assessoren werden door provinciale staten benoemd op voordracht van de raad, gehoord de heer. 5) Verder dienden de door de raad vastgestelde verordeningen alvorens door provinciale staten goedgekeurd te worden, voorgelegd te worden aan de heer. 6) Ook de g

De samenvoeging met Heerewaarden was voor het bestuur en de inwoners van Rossum moeilijk te accepteren: men had weinig gemeenschappelijks, en bovendien had Heerewaarden grote schulden, voor de aflossing waarvan het nieuwe gemeentebestuur zich gesteld zag. De inwoners van Hurwenen waren ook niet tevreden, en dienden een verzoek in om zelfstandig te mogen worden. De inwoners van Heerewaarden volgden hun voorbeeld. Het resultaat hiervan was dat op 1 januari 1821 Rossum, Hurwenen en Heerewaarden zelfstandige gemeenten werden.

Officieel was er nog sprake van het schoutambt Rossum. Deze terminologie werd gewijzigd in 1825 bij de vaststelling van een nieuw reglement voor het platteland van Gelderland. 8) Schoutambten heetten voortaan gemeenten, hoofdschoutambten werden vervangen door districten. 9) Aan het hoofd daarvan stond een districtscommissaris. Vanwege de wenselijkheid het aantal districten geleidelijk te beperken werd steeds, als ergens een districscommissaris vertrok, deze niet opgevolgd, maar werd zijn district samengevoegd met een naburig district. In Gelderland bleven na 1837 uiteindelijk vijf districten over. De Bommelerwaard behoorde toen tot het district ‘de Beneden-Districten’.
In de steden was al langer sprake van een burgemeester. Ook in de dorpen veranderde de term ‘schout’ nu in ‘burgemeester’. De burgemeester werd benoemd door de koning. Waar nog sprake was van een heerlijkheid gebeurde dat op voordracht van de heer. 10) De term 'assessor’ werd pas bij de invoering van de gemeentewet in 1851 veranderd in ‘wethouder’. De assessoren werden benoemd uit de gemeenteraad door de gouverneur van de provincie Gelderland. 11) Provinciale staten benoemde de raadsleden, waarbij zij moesten kiezen uit een door de heer opgemaakte voordracht van twee keer zoveel personen als er nodig waren. 12) De gemeenteraad bestond, inclusief burgemeester en assessoren, uit zeven leden. 13)
Alle bestuurders werden voor de duur van zes jaar benoemd. Iedere twee jaa

Bij de invoering van de gemeentewet in 1851 werden de districten opgeheven. Steden en dorpen werden gelijkgeschakeld en er bestond nog maar één soort gemeente in Nederland. De gemeenteraad werd het hoogste bestuursorgaan in een gemeente. De burgemeester bleef voorzitter van de gemeenteraad en van de vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast kreeg hij speciale taken op het gebied van orde en veiligheid. Nu werden ook de heerlijke rechten definitief afgeschaft. De burgemeester werd benoemd door de kroon, de leden van de gemeenteraad werden door de inwoners gekozen, en uit de raad werden wethouders gekozen. Gemeenten met minder dan 3000 inwoners, waartoe ook Rossum behoorde, kregen zeven raadsleden, die voor zes jaar werden gekozen. Iedere twee jaar trad eenderde deel af. In Rossum heeft - met enkele onderbrekingen - de burgemeester steeds deel uitgemaakt van de gemeenteraad tot aan de komst van burgemeester Van Goelst Meyer in 1932.
Er werd gekozen volgens het census-kiesrecht, dat wil zeggen dat het stemrecht voor de verkiezing van leden van de Staten Generaal was voorbehouden aan meerderjarige mannen die tenminste f 20,- aan grond- en andere belasting betaalden. 15) Voor de gemeenteraad was de drempel lager, de helft van dit bedrag. In 1917 werd het census-kiesrecht afgeschaft en kwam er algemeen kiesrecht voor mannen en actief kiesrecht voor vrouwen. Pas in 1922 kregen vrouwen ook algemeen kiesrecht.

Tijdens de Duitse bezetting in de tweede wereldoorlog werd het leidersprincipe ook ingevoerd voor de Nederlandse gemeenten. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders werden buiten werking gesteld, en de burgemeester moest de taak van de raad en het college waarnemen, en kreeg daarmee alle bevoegdheden van de gemeente in handen. A.F. van Goelst Meyer heeft zich als burgemeester kunnen handhaven tot hij in 1943 moest onderduiken. Hij werd met ingang van 17 januari 1944 op eigen verzoek eervol ontslagen. De (w

De gemeente Rossum heeft als zelfstandige gemeente bestaan tot aan 1955. Niet onbetwist overigens: verscheidene malen is er gedurende de jaren 1926-1934 geprobeerd om Rossum toch weer samen te voegen met andere gemeenten, waarbij Hurwenen en Heerewaarden soms ook weer betrokken waren. In augustus 1940 schreef de burgemeester een brief aan de secretaris-generaal van binnenlandse zaken met het verzoek om Rossum, Hurwenen en Heerewaarden maar weer samen te voegen. 16) Waarschijnlijk door de oorlog is dit plan nooit verder behandeld. Vanaf 1945 zijn er besprekingen geweest over een gemeentelijke herindeling van de Bommelerwaard, die tenslotte hebben geresulteerd in de wet van 7 februari 1955 waarbij het aantal gemeenten in de Bommelerwaard werd teruggebracht van 13 naar 8 door het tot stand brengen van verschillende combinaties. Rossum werd op 1 juli 1955 daadwerkelijk samengevoegd met Hurwenen.

Veel personeel heeft de gemeente Rossum nooit gehad. De gemeentesecretaris heeft lange tijd het werk alleen moeten doen. Vanaf 3 maart 1900 werd hij bijgestaan door een ambtenaar ter secretarie. In 1933 kreeg de ambtenaar hulp van een volontair, die vanaf 1934 betaald werd voor het verrichten van schrijfwerk. Na de oorlog werd het aantal ambtenaren uitgebreid tot drie.

Naam, wapen en vlag

De naam Rossum wordt verklaard uit 'Rothe’ en 'heim’. Het zou dan zoiets betekenen als: ‘woonplaats waar bos is gerooid’. In 893 wordt de eerste vermelding van Rossum gevonden in een oorkonde die een opsomming geeft van de bezittingen van de abdij van Prüm (Duitsland). Hierop staan twee boerderijen vermeld in 'Rotheheim’. Later worden vermeldingen aangetroffen als 'Rossem’. Vanaf de 16e eeuw komen we de huidige schrijfwijze tegen.
Het wapen van de gemeente Rossum is op 25 maart 1818 door de Hoge Raad van Adel bevestigd. Het is het oude wapen van de familie Van Rossem, die de heerlijkheid gedurende meer dan drie eeuwen in haar bezit heeft gehad. Het wapen wordt als volgt beschreven: 'een schild van zilver beladen met drie rode papegaaien geplaatst twee en een’.
In 1938, bij het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina, wordt door de gemeente Rossum voor het eerst een vlag aangeschaft. Op voorstel van de commissaris van de koningin heeft deze vlag twee banen in de kleuren blauw en geel (de Gelderse kleuren) en is het gemeentewapen in de linkerbovenhoek geplaatst. In 1954 wordt een nieuwe vlag aangeschaft met de nieuwe kleuren van de provincie. Verder is deze vlag gelijk aan de vorige. In 1991 wordt de gemeente erop opmerkzaam gemaakt, dat de vlag nooit bij raadsbesluit is vastgesteld. Men besluit dan de gelegenheid te baat te nemen en een nieuwe vlag te laten ontwerpen, waarin ook elementen uit Hurwenen ingebracht kunnen worden. Op 30 januari 1992 stelt de gemeenteraad een vlag vast met twee diagonale banen, boven wit, onder groen gekleurd, met in het midden een rode papegaai, waarvan de hoogte gelijk is aan 3/4 van de hoogte van de vlag. Kort daarna komt men tot de conclusie dat het toch beter is het zwart uit het wapen van Hurwenen te nemen. In de gemeenteraadsvergadering van 26 maart 1992 besluit de raad alsnog het groen te vervangen door zwart. 17)

Het algemeen burgerlijk armbestuur

In Rossum functioneerden naast de daarvoor aangewezen kerkelijke instanties twee neutrale instellingen die zich bezig hielden met de zorg voor armen: het Algemeen burgerlijk armbestuur en het Manhuisfonds. 18) Het Algemeen burgerlijk armbestuur hield zich bezig met de zorg voor armen in het algemeen, het Manhuisfonds voornamelijk met de zorg voor armlastige bejaarden. 19)

Wanneer het Algemeen burgerlijk armbestuur is opgericht is niet bekend. In 1812 werd een inventaris opgemaakt van de bezittingen van het Algemeen burgerlijk armbestuur voor zover die nog achterhaald konden worden. Deze inventaris begint met de volgende verklarende inleiding:
‘Vooraf dient geweeten. Dat op den 20 septemb. 1803 het huijs van G. van Avesaath, toen ter tijd secretaris te Rossum, met het gantschen secretarij ten eenen maal is verbrand waardoor dan ook alle boeken papieren actens en bescheijden raakende den arme goederen zijn verlooren gegaan, en dat zij, armmeesters voornoemt, aldus van den oorsprong en de stichting alsmede van de bestemming der goederen niets kunnen melden als alleen dit naarvolgende namelijk dat de inkomste dier goederen altoos zijn en nog worden gebruikt tot onderhoud van noodlijdende en behoeftige persoonen zonder onderscheijt van wat godsdienstige gesintheijd de zelve ook moge wesen, als ook dat niet tegenstaande alle boeken, papieren en bescheijden door den voornoemden brant zijn verlooren gegaan egter den armen van onheugelijke tijden in het besit van de hierna te specifiseeren goederen is geweest en nog in de rustige possessie van dezelven blijft continueeren zonder door iemand daar in gestoort te worden en de zelven dus niet anders als haar wettig eijgendom beschout worden. Dit vooruijt gesegt hebbende zullen rendanten nu overgaan tot specificeering van die goederen. 20) 26 augustus 1812.' 21)

Er worden verschillende namen gebruikt die allen hetzelfde aanduiden: Algemeen burgerlijk armbestuur, armenfonds, De grote of politieke armen van Rossum, De armen van Rossum. In deze inventaris is steeds de eerste benaming gebruikt. De leden werden benoemd door de gemeenteraad, en waren vaak zelf ook raadslid, wethouder of burgemeester. Vóór 1795 behoorde de benoeming van leden van het Algemeen burgerlijk armbestuur tot de bevoegdheid van de heer van de heerlijkheid. Na het vertrek van de Fransen in 1813 is dit nog één keer gebeurd, hoewel de gemeenteraad kennelijk van mening was dat de benoeming tot de competentie van de raad behoorde, want in de raadsnotulen wordt melding gemaakt van de benoeming door de raad van dezelfde personen tot leden van het Algemeen burgerlijk armbestuur. 22)

Het notulenboek van het Algemeen burgerlijk armbestuur begint met het volgende afschrift van een akte:
‘Wij, Reindert Grave van Randwijk, Heer van de Heerlijkheid Rossum, hebben uit kragt van het Besluit van Zijne Koninglijke Hoogheid den Heere Prince van Orange en Nassau, Souverein vorst der Vereenigde Nederlanden, enz., enz., enz. gegeven in ‘s-Gravenhage den 31 december 1814 bijzonder van art. 10 van het zelve besluit, benoemt en aangesteld, zoals wij benoemen en aanstellen de perzonen van Jan de Krijger, Hillebrand van de Pol en Dirk Jan van der Kaaij, alle inwoonderen binnen de gedagte Heerlijkheid, om als armmeesters uit te maken het bestuur over de armen goederen van Rossum, en zulks voor de tijd van drie eerstkomende jaren, zullende het lot tusschen dezelve beslissen voor 1e October 1817 wie van die drie en voor 1e October 1818 wie van de twee overige zullen aftreden. Gegeven te Arnhem onder mijn handtekening en zegel op heden den 1e Februarij 1815. Was nevens een cachet gedrukt in rood lak getekend Rijndert V. Randwijk.' 23)

De werkzaamheden van het armbestuur bestonden uit het verstrekken van voedsel, kleding, onderdak, en soms ook geld aan behoeftige inwoners van de gemeente. Daarvoor had het armbestuur inkomsten nodig. Deze kwamen uit de bezittingen van het armbestuur, die voor een groot deel bestonden uit onroerend goed: grond en huizen. De pachtopbrengst hiervan zorgde voor een regelmatig inkomen, waarmee het armbestuur meestal goed kon uitkomen.
Bij het verlenen van hulp werd vaak overlegd met de andere instellingen van weldadigheid, opdat de hulp niet dubbel zou plaats vinden.
Meestal bestond het armbestuur uit drie personen, van wie er één als ontvanger (later: administrateur) optrad. De gemeenteraad benoemde niet alleen de leden, maar hield ook toezicht op de taakuitvoering. Begroting en jaarrekening moesten door de gemeenteraad worden goedgekeurd. Ook het reglement op het bestuur en beheer van het armbestuur werd door de gemeenteraad vastgesteld.

In 1961 veranderde het Algemeen burgerlijk armbestuur van naam: het werd toen genoemd 'Algemeen fonds voor maatschappelijke zorg’. De werkzaamheden bleven hetzelfde. Het fonds werd opgeheven per 1 januari 1965, toen de Algemene Bijstandswet van kracht werd. De taak werd toen overgenomen door de sociale dienst van de gemeente.

Archief

De gemeentesecretaris (vaak dezelfde persoon als de burgemeester) bewaarde het archief van de gemeente in zijn woning. Rossum heeft het tot 1853 zonder gemeentehuis moeten stellen. Er werd vergaderd ten huize van de schout (burgemeester) als het een kleine groep betrof. Waren er bij een vergadering echter meer mensen nodig (regelmatig werd vergaderd met de eigenerfden of met het armbestuur) dan verkoos men te vergaderen in de herberg ‘Het Molenhuis’ op de Waaldijk.
Volgens het jaarverslag over 1852 is in dat jaar een inventaris van het archief tot stand gekomen, die ‘nauwkeurig werd bijgehouden’. Deze inventaris is overigens niet bewaard gebleven.
Toen in 1853 een gemeentehuis werd gebouwd, werd het archief daar naar toe gebracht en opgeborgen, soms in de kelder, soms op de zolder. In 1882 werd voor het archief een nieuwe boekenkast aangeschaft ‘dewijl voor het archief in de oude kast geen ruimte genoeg meer was’ 24)

In 1925 werd op de zolder van het gemeentehuis een kast gebouwd om ‘daarin een groot gedeelte van het archief te bergen en stofvrij te bewaren’. 25)
Tijdens de laatste jaren van de oorlog is het archief ondergebracht in het gemeentehuis van Hurwenen, dat over een kluis beschikte. In 1947 bleek bij een bezoek van de provinciaal archiefinspecteur dat zich nog steeds enkele bevolkingsregisters in Hurwenen bevonden.
Toen in 1954 Het Slot als gemeentehuis in gebruik genomen werd, verhuisde het archief naar de kelders van dit gebouw. Helaas waren deze kelders erg vochtig. Het archief heeft hier dan ook flinke schade opgelopen door vocht en schimmel. Verscheidene malen heeft men getracht een beter klimaat tot stand te brengen door middel van het aanbrengen van een vochtwerende laag aan de binnenkant van de muren en de vloer, door het dichtmaken van ramen en door het plaatsen van apparaten die het vocht uit de lucht moeten halen.
Dat de situatie ook voor de provinciaal archiefinspecteur een voortdurende bron van zorg was, blijkt uit de volgende passage uit het jaarverslag over 1954:
‘Het was teleurstellend te ervaren dat men in de tot archiefbewaarplaats ingerichte kelderruimte van het gemeentehuis (..) te kampen had met ernstig vochtbezwaar. Het bleek echter ook, dat men onvoldoende zorg droeg voor luchtverversing: de ventilatieroosters had men zelfs dichtgemaakt! Ik wees het gemeentebestuur er dan ook op dat dit bij een dergelijk vochtige kluis zeer ongewenst is. Regelmatige luchtverversing is in de practijk immers altijd mede een doeltreffend middel gebleken tegen vocht. Verder werd tevens een electrisch droogapparaat aangeschaft van het merk Chrysler airtemp. Dit voldoet zeer, doch het bleek toch noodzakelijk dat de vloer en de wanden bekleed werden met een waterdichte laag. 26)’

Het vocht in de kelders van Het Slot bleef een probleem: wat men ook ondernam, het was niet weg te krijgen. De verslagen van de bezoeken van de provinciaal archiefinspecteur spreken soms van goede maatregelen: de kelders zijn droog, maar een jaar later blijkt het vochtprobleem weer teruggekeerd te zijn. Van 1962 tot 1975 is het archief op de verdieping van het gebouw opgesteld. Na een verbouwing wordt het weer naar de kelder overgebracht. De archiefinspecteur is hierover zeer enthousiast. Helaas moet hij bij een bezoek in 1983 opnieuw opnieuw constateren dat de kelders te vochtig zijn. Er werden toen twee nieuwe luchtdrogers geplaatst.

Het streekarchivariaat Bommelerwaard, waarbij de gemeente Rossum zich aansloot, werd opgericht in 1982. Het archief bleef echter tot 1992 in Rossum. Het verkeerde in zeer slechte staat, er zat onder andere veel schimmel in. Het archief is toen bij de Roteb in Rotterdam behandeld (vergast). Daarna werd het overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Zaltbommel. In 1994, toen de nieuwe bewaarplaats van het streekarchief Bommelerwaard in gebruik genomen werd, werden de archieven van de gemeente Rossum, het archiefblok van 1810-1955 zowel als dat van 1955-1970, dat in 1993 was geïnventariseerd, daar ondergebracht.

De archieven van de drie gemeenten die in deze inventaris worden beschreven lopen over de jaren waarin deze gemeente hebben bestaan.
Tot 1934 is er sprake van een chronologische ordening. De ingekomen stukken, de bijlagen bij de gemeenterekeningen en de jaarverslagen heeft men tot aan het jaar 1934 steeds laten inbinden, voornamelijk met het doel de stukken op deze manier gemakkelijker te kunnen bewaren. Hierbij zijn echter wel overlappingen ontstaan. Notulen van raadsvergaderingen en vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders zijn eveneens voor het grootste gedeelte ingebonden, ook na 1934.
Van de eigentijdse toegangen zijn er nog registers op de ingekomen stukken tot 1934. Van 1925 tot 1954 zijn er jaarlijkse indices op de notulen van de raadsvergaderingen en de vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders.
In 1955, toen Rossum als zelfstandige gemeente ophield te bestaan, is het archief afgesloten. Men heeft toen de heer B.G.A.M. Kruijsen gevraagd om het archief (en dat van Hurwenen) te bewerken. Daarbij is het archief (althans het gedeelte na 1934) opnieuw ingedeeld, waarbij gebruik gemaakt is van de basisarchiefcode van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De basisarchiefcode is daarbij niet steeds gebruikt volgens de huidige maatstaven en inzichten.Veel stukken moesten daardoor op een andere plaats in het archief worden ingevoerd. De in 1955 tot stand gekomen inventaris voldeed niet aan de huidige eisen, de beschrijvingen waren vaak zeer summier en sloten elkaar niet uit, er was een merkwaardige indeling gemaakt in C-, en D-archief (de letters A en B waren gereserveerd voor het archief van Hurwenen, dat eveneens door Kruijsen is bewerkt ).

Het archief van het Algemeen burgerlijk armbestuur loopt over de jaren 1799 (het oudste stuk) tot de opheffing per 1 januari 1965. Over de taakuitvoering zijn helaas erg weinig stukken bewaard gebleven. Het grootste deel van dit archief bestaat uit series: notulen, begrotingen, rekeningen, ingekomen en uitgaande stukken.
Het archief is tot 1982 bewaard in het gemeentehuis van Rossum. Samen met het archief van de gemeente is het toen vergast bij de Roteb in Rotterdam, waarna het in de archiefbewaarplaats van de gemeente Zaltbommel werd geplaatst tot de overbrenging naar de nieuwe bewaarplaats van het Streekarchief Bommelerwaard.
Vanwege bescherming van de persoonlijke levenssfeer kunnen de stukken, beschreven in de inventarisnummers 4/2149, 4/2150, 4/2159, 4/2452 en 4/2453 die nog geen 75 jaar oud zijn en betrekking hebben op nog levende personen slechts geraadpleegd worden met toestemming van de streekarchivaris. De toestemming kan worden geweigerd en er kunnen voorwaarden aan worden verbonden.

Inventarisatie

De inventarisatie van de archieven heeft geduurd van oktober 1995 tot juni 1996. Voor de aanvang van de werkzaamheden besloegen de archieven 35,84 m1, waarvan 4,6 m1 van het Algemeen burgerlijk armbestuur. Na de afronding van de bewerking en het opnieuw verpakken strekken de archieven zich uit over een lengte van 50 m1, waarvan 4,4 m1 van het Algemeen burgerlijk armbestuur.
Het gedeelte van het gemeentelijk archief dat loopt tot 1934 is grotendeels intact gelaten zoals het werd aangetroffen. De in 1955 aangebrachte zaaksgewijze ordening van het archiefdeel vanaf 1934 is waar nodig geoptimaliseerd, dat wil zeggen dat getracht is hierin een logischer structuur aan te brengen dan het krampachtig in het keurslijf van de basisarchiefcode wringen van de archiefstukken zoals dat in 1955 is gebeurd. Nieuwe beschrijvingen werden gemaakt, die beter en meer consequent zijn.
Daarbij moet worden aangetekend, dat de pogingen tot dossiervorming (pogingen, want vrijwel geen enkel dossier is compleet) uit 1955 niet onnodig verstoord zijn. Waar mogelijk is de toen aangebrachte orde gehandhaafd. Ongetwijfeld heeft na 1934 een ander ordeningsstelsel het chronologische vervangen. Door de herordening van 1955 is helaas niet terug te vinden welk stelsel dat dan geweest kan zijn: een zaaksgewijze ordening volgens de basisarchiefcode van de VNG of eerst nog een rubriekenstelsel. Alleen waar dat noodzakelijk was, zijn stukken op een andere wijze en meer in overeenstemming met de vermoedelijke oorspronkelijke orde gerangschikt.
Er diende nog veel werk verricht te worden op het gebied van het ‘ontspijkeren’ van de archieven en het opnieuw verpakken, ditmaal in zuurvrij materiaal.
Vanwege het feit dat in 1955 al veel vernietigd was, ging het bij de huidige bewerking niet meer om systematische, maar aanvullende vernietiging: stukken die in 1955 over het hoofd gezien waren, of toen nog niet vernietigd mochten worden omdat de termijn nog niet verstreken was. Anderzijds werden in 19

Omdat er sprake is van een grotendeels chronologische ordening lag een hoofdindeling in 'stukken van algemene aard’ en 'stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen’ voor de hand. Bij de onderverdeling van de hoofdrubriek ‘stukken betreffende afzonderlijke onderwerpen’ is gekozen voor de tweedeling: organisatie (organisme) en taakuitvoering, waarbinnen grotendeels de hoofdindeling van de basisarchiefcode is gebruikt. Het archief van het Algemeen burgerlijk armbestuur is op dezelfde wijze behandeld. Ook hier was sprake van een chronologische ordening tot de tweede helft van de jaren dertig, daarna waren de stukken zaaksgewijs geordend. In opzet is bij het inventariseren van dit archief gebruik gemaakt van dezelfde indeling als bij het gemeente-archief.

De belangrijkste aanwijzingen voor de gebruiker zijn zoveel mogelijk opgenomen als NB’s in de inventaris. Voor de onderzoeker is het van belang te weten, dat ook de series ingekomen stukken, uitgaande stukken, notulen van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en wethouders, en de serie verordeningen eveneens informatie kunnen bevatten over een gezocht onderwerp. Men raadplege hiervoor de registers op deze series.

Deze inventaris is tot stand gekomen in het kader van mijn stage als leerling van de (rijks)archiefschool. Mijn dank gaat uit naar mijn mentor, de heer J.J.A. Buylinckx, streekarchivaris, en de medewerkers van het Streekarchief Bommelerwaard, die mij met raad en daad terzijde hebben gestaan bij het bewerken van dit archief.

L.J. Jalink,
Zaltbommel 1996

Noten

1. D.J.G. Buurman, Schets van de opeenvolgende bestuursindeelingen in Gelderland voor de invoering van de provinciale wet in 1850, in: Gelre, Bijdragen en Mededelingen LVII, 1958, blz. 23-50.

2. Reglement voor het platteland van de provincie Gelderland 1817, artikel 63.

3. dem, artikel 72.

4. Idem, artikel 24 (schout) en artikel 64 (raadsleden).

5. Idem, artikel 44.

6. Idem, artikel 70.

7. Idem, artikel 91 (gemeentesecretaris) en artikel 107 (gemeente-ontvanger).

8. Reglement op het bestuur ten plattelande in de Provincie Gelderland 1825.

9. Idem, artikel 1.

10. Idem, artikel 11.

11. Idem, artikel 11.

12. Idem, artikel 11.

13. Idem, artikel 2.

14. Idem, artikel 17.

15. Kieswet van 4 juli 1850, Staatsblad nummer 37. In het kiesdistrict Tiel, waartoe Rossum behoorde, werd een bedrag van f 20,-. als minimum gehanteerd.

16. Zie inventarisnummer 3004/247 en afbeelding 2.

17. Gegevens ontleend aan S. Dumont en M. Kleijnen, Vanwege den Koning; gemeentewapens en plaatsnamen in de Bommelerwaard, Zaltbommel 1992.

18. Het archief van het Manhuisfonds bevindt zich in het Rijksarchief in de provincie Gelderland te Arnhem.

19. Zie ook J.H.G.J. Heeswijk, Hoe Rossum zijn archieven verloor, in: Tussen de Voorn en Loevestein, jaargang I (1964/1965), nr. 2, blz. 31-32.

20. Inventarisnummer 3004/2430: Staten, houdende gegevens over eigendommen, pachten, renten en thijnsen.

21. In het notulenboek van het Algemeen burgerlijk armbestuur (inventarisnummer 3004/2168) is op pagina 4-5 een ‘extract uit het signaat’ van de gemeenteraadsvergadering van 22 mei 1815 opgenomen, waarin de benoeming van de leden van het Algemeen burgerlijk armbestuur plaatsvond.

22. Inventarisnummer 3004/2168: Notulenboek 1815-1816.

23. Inventarisnummer 3004/90: Jaarverslag over 1882.

24. Inventarisnummer 3004/92: Jaarverslag over 1925.

25. Inventarisnummer 3004/359: Verslag betreffende de inspectie van de archieven van gemeenten en waterschappen in Gelderland over het jaar 1954.

26. Zie het archief van de gemeente Rossum 1955-1970, Inventarisnummer 3004/122/94.

Bijlagen Inleiding

LIJSTEN VAN BESTUURDERS EN FUNCTIONARISSEN

De lijsten zijn samengesteld door het verrichten van onderzoek in notulen, jaarrekeningen en jaarverslagen in de in deze inventaris beschreven archieven.
Het slechts gedurende een korte periode waarnemen van een bepaalde functie, bijvoorbeeld wegens ziekte of in afwachting van een nieuwe benoeming is in de regel niet in deze lijsten opgenomen.

Het eerste jaartal in de lijsten geeft het jaar aan waarin zitting werd genomen; dit kan verschillen met het jaar waarin men werd gekozen of benoemd. Een liggend streepje betekent ‘tot en met’ of ‘tot in’.

1. GEMEENTE HURWENEN EN ROSSUM 1810-1817

BURGEMEESTER (MAIRE)

C. van Veltdriel 1810-1817

ADJUNCT-BURGEMEESTER (ADJOINCT-MAIRE)

P. Verschuuren 1810-1817

RAADSLEDEN

De per 1 juni 1810 ingestelde gemeente kreeg tien raadsleden:

H. Verhoekx 1810-1817
W. van Hurwenen 1810-1817
J. Kostenbrock 1810-1817
P.W. Huijser 1810-1817
M. van Bergen 1810-1817
H. van den Pol 1810-1817
H. van Bergen 1810-1817
H. van Thiel 1810-1817
J. van Os 1810-1817
R. Hanegreef 1810-1817

GEMEENTESECRETARIS

P. W. Huijser 1810-1817

GEMEENTE-ONTVANGER

F. van Hemert 1810-1817

2. SCHOUTAMBT ROSSUM 1818-1820 (Rossum, Hurwenen en Heerewaarden)

BURGEMEESTER (SCHOUT)

J. Ganderheijden 1818-1820

WETHOUDERS (ASSESSOREN)

J. de Krijger 1818-1820
C. Vermeulen 1818-1820

RAADSLEDEN

J. de Krijger 1818-1820
C. Vermeulen 1818-1820
J.A. van der Kaaij 1818-1820
J. de Gaaij 1818-1820

GEMEENTESECRETARIS

J. Ganderheijden 1818-1820

GEMEENTE-ONTVANGERS

F. van Hemert 1818-1819 1)
A. de Gaaij 1819-1820

-

3. GEMEENTE ROSSUM 1821-1955

BURGEMEESTERS

Van 1821 tot 1825 werd de term 'schout’ gebruikt; na 1825 de benaming burgemeester. Waarnemingen van het ambt door wethouders (loco-burgemeesters) ten tijde van burgemeestersvacatures, zijn niet opgenomen in de onderstaande lijst.

J. Ganderheijden 1820 - 1829
D.J. van der Kaaij 1829 - 1852
J. Enslie 1852 - 1882
G.G. van der Kaaij 1882 - 1889
M. baron van Randwijck 1889 - 1932
A.F. van Goelst Meijer 1932 - 1944 jan 17 2)
A. Neet (waarnemer) 1943 feb 15 - 1945 jan 1
J. Boll (waarnemer) 1945 jan 2 - 1945 mei 8
A.F. van Goelst Meijer 1945 mei 8 - 1955

WETHOUDERS

Vanaf 1821 tot 1851 werd gesproken van assessoren, daarna van wethouders. De raad en het college van burgemeester en wethouders werden in 1941 ontbonden

J.(Jan) de Krijger 1821-1839
H. van der Kolk 1821-1855
H.J. van der Dussen 1840-1851
H. van de Poll 1852-1857, 1872-1892
J. (Jilis) de Krijger 1855-1857
G. van Thiel 1857-1889
H.A. Dingemans 1857-1860
J.W. Dingemans 1860-1872
H.J. van der Kolk 1889-1909
W.P. de Vries 1893-1908
G.W. van den Bosch 1908-1917
W. de Vries 1909-1910
P. de Vries 1910-1913
M.P. van Willigen 1913-1931
J.W. Dingemans 1917-1923
G. van der Kolk 1923-1935
P. Liebrecht 1931-1941
E.H. de Koning 1935-1941
T.B.W. de Leeuw 1945-1949, 1953-1955
J.G. de Vries 1945-1948
B. van Meteren 1948-1949
A.G. Roosendaal 1949-1953
J. de Gier 1949-1953
A.J.G. van den Dungen 1953-1955

RAADSLEDEN

In 1941 werd de gemeenteraad ontbonden en nam de burgemeester de taak van de raad waar ( de laatste vergadering was op 26 juni 1941). Na de tweede wereldoorlog werd er eerst een tijdelijke (nood)gemeenteraad benoemd (1945-1946). De eerste vergadering vond plaats op 3 december 1945. De eerste vrije verkiezingen na de oorlog vonden plaats op 26 juli 1946. De raad vergaderde weer voor het eerst op 3 september 1946.

J.A. van der Kaaij 1821-1829
G. de Vries 1821-1849
H. van der Kolk 1821-1855
A. Vissers 1826-1851
G. Wolff 1826-1840
H.J. van der Dussen 1829-1864
D.J. van der Kaaij 1829-1852
P. van Herpen 1839-1851
J. (Jilis) de Krijger 1840-1869
H. van de Pol 1851-1892
G.A.J. baron van Randwijck 1851-1871
G. van Thiel 1851-1888
J. Enslie 1852-1882
H.A. Dingemans 1855-1860
H. van Snippenbergh 1855-1858
A. Vissers 1859-1867
J.W. Dingemans 1860-1881
D. van Avezaath van der Kaaij 1867-1882
W.P. de Vries Wzn. 1869-1910
H.J. van der Kolk 1871-1878, 1882-1909
A. Liebrecht 1877-1883
G.G. van der Kaaij 1882-1889
M. baron van Randwijck 1882-1932
H. de Vries 1883-1910
J.(Jan) de Krijger 1889-1906
D.J. van der Kaaij 1889-1919
M.F. van de Pol 1893-1899
G.W. van den Bosch 1899-1917
W. de Vries Gzn. 1906-1917
M.P. van Willigen 1909-1931
P. de Vries 1910-1913
F.J. de Krijger 1910-1919
J.W. Dingemans 1913-1932
J. van Hemmen 1917-1919
P. de Vries Hzn. 1917-1919, 1923-1926
J. Huibertse 1919-1927
J. Verhoeven 1919-1923, 1927-1937
F.A. Winkenius 1919-1923, 1926-1927, 1937-1939
G. van der Kolk 1919-1941
J.H. Vervoort 1923-1924
F. van Beurden 1924-1926
P. Liebrecht Lzn. 1926-1941
C. Hoskam 1927-1931, 1935-1940
E.H. de Koning 1931-1941
J. Huibertse jr. 1931-1941, 1949-1955
G.A.J. baron van Randwijck 1932-1935
T.B.W. de Leeuw 1932-1941, 1946-1955
W. van Ooijen 1939-1941, 1949-1955
A.J.G. van den Dungen 1940-1941, 1946-1955
J. van Steenbrugge 1946-1948
B. van Meteren 1946-1953
A.G. Roosendaal 1946-1953
J.G. de Vries 1946-1948
J. de Gier 1946-1955
C. van der Zalm 1948-1949
J.C. Sterk 1948-1949
H.L. van der Kaaij 1949-1955
A.H. van Mil 1953-1955

GEMEENTESECRETARISSEN

J. Ganderheijden 1821-1829
D.J. van de Kaaij 1829-1951
J.W. Dingemans 1851-1860
J.G. de Krijger 1860-1912
W. Janssen 1912-1917
L.H. Janssen 1917-1955 3)
C.H. van Maanen (waarnemer) 1955

GEMEENTE-ONTVANGERS

A. de Gaaij 1821-1851
F.J. de Krijger 1851-1863
H. Hamaker 1863-1869
J.G. de Krijger 1869-1901
H. van der Kolk 1901-1905
D.A. van der Kaaij 1905-1940
C.H. van Maanen 1940-1942
L.H. Janssen 1942-1955

4. COLLEGE VAN ZETTERS 1870 - 1924

De leden van het College van Zetters werden op voordracht van de gemeenteraad benoemd door de commissaris des konings. Zij hadden zitting voor een periode van vier jaar en konden enventueel herbenoemd worden.

G. van Thiel 1882 - 1889
H. van de Poll 1882 - 1993
W.P. de Vries 1884 - 1912
R. van Hartwijk 1884 - 1892
H.J. van der Kolk 1889 - 1909
J. de Krijger 1892 - 1906
H. de Vries 1893 - 1914
G.W. van den Bosch 1906 - 1916
D.J. van der Kaaij 1909 - 1914
W. de Vries 1913 - 1916
M.P. van Willigen 1915 - 1922
F.J. de Krijger 1917 - 1924
J. van Hemmen 1919 - 1922
J.W. Dingemans 1921 - 1924

5. PLAATSELIJKE HERSTELRAAD 1946 - 1947

De Plaatselijke Herstelraad bestond uit:

A.F. van Goelst Meijer, burgemeester en voorzitter
J.G. de Vries, wethouder
A.J.G. van den Dungen, raadslid
D. Verkerk-Wijgerse
L.L.M.M. de Visser, hoofd RK-school

6. ALGEMEEN BURGERLIJK ARMBESTUUR 1799 - 1964

BESTUURSLEDEN:

P.W. Huijser 1811 - 1815, 1820 - 1822
D.J. van der Kaaij 1811 - 1818
J. (Jan) de Krijger 1815 - 1816, 1822
H. van de Poll 1815
H. van der Kolk 1816 - 1819, 1822 - 1854
H. van Thiel 1818 - 1821
C. de Raadt 1819
J.A. Wolf 1819 - 1822
A. Vissers 1821 - 1822
D.A. van der Kaaij 1822 - 1854
A. Vermazen 1822 - 1854
J. (Jilis) de Krijger 1854 - 1869
P. van de Poll 1854 - 1870
H.A. Dingemans 1854 - 1860
J.W. Dingemans 1860 - 1868, 1860 - 1905
A. Visschers 1868 - 1870
G.G. van der Kaaij 1870 - 1889
G. de Krijger 1870 - 1874
J.G. de Krijger 1870 - 1874
A. Liebrecht 1875 - 1900
J.G. van der Kaaij 1875 - 1889
J.W. van Ringelestijn 1889 - 1929
P. Liebrecht Azn. 1901 - 1933
D. van Hemmen 1905 - 1924
J. Huibertse 1924 - 1933
L.H. Janssen 1924 - 1947
E.H. de Koning 1930 - 1945
P. Liebrecht Dzn. 1934 - 1945
C. Hoskam 1934 - 1940
A.J.G. van den Dungen 1940 - 1964
G. Jansen 1945
W.J. van Asch 1945 - 1964
H.L. van der Kaaij 1946 - 1949, 1959, 1961-1964
C.H. van Maanen 1947 - 1964
W. van Ooijen 1950 - 1961
H.W. van Heel 1961 - 1964
A. van Zuidam 1961 - 1962
J.C. de Zwart 1962 - 1964

ONTVANGERS:

P.W. Huijser 1798 - 1812
H. van de Poll 1814/15
J. de Krijger 1815/16, 1822/23, 1858/59, 1861/62, 1867/68
D.J. van der Kaaij 1816/17
C. de Raadt 1818/19
H. van Thiel 1819/20
J.A. Wolf 1820/21
A. Vissers 1821/22, 1824/25, 1826/27, 1828/29, 1830/31, 1834/35, 1840/41, 1842/43, 1844/45
H. van der Kolk 1823/24, 1825/26, 1827/28, 1829/30, 1831/32, 1841/42, 1843/44
D.A. van der Kaaij 4) 1845/46 - 1852/53
H. van der Kolk jr. 4)
A. Vermazen 4)
P. van de Poll 1853/54, 1856/57, 1959/60, 1862/63, 1865/66, 1868/69
H.A. Dingemans 1854/55 - 1855/56, 1857/58
J.W. Dingemans 1860/61, 1863/1864, 1864/65, 1866/67, 1889 - 1904
A. Vissers 1869/70
G.G. van der Kaaij 1870/71 - 1888
D. van Hemmen 1905 - 1923
L.H. Janssen 1924 - 1946
C.H. van Maanen 1947 - 1964

-

AANTAL INWONERS 1822-1955

De cijfers voor de jaren 1822-1849 en van 1936-1954 zijn ontleend aan de jaarrekeningen, die van 1851-1935 aan de jaarverslagen van de gemeente, die van 1940 en 1955 aan de provinciale jaarboekjes. Van enkele jaren konden de inwoneraantallen in het archief helaas niet achterhaald worden.

Jaar --> Inwoners

1822 --> 740
1823 --> 760
1824 --> 757
1825 --> 748
1826 --> 733
1827 --> 749
1828 --> 817
1829 --> ?
1830 --> ?
1831 --> 812
1832 --> 841
1833 --> 862
1834 --> 869
1835 --> 887
1836 --> 917
1837 --> ?
1838 --> 982
1839 --> 1010
1840 --> 924
1841 --> 924
1842 --> 965
1843 --> 1007
1844 --> 1016
1845 --> 1066
1846 --> 1036
1847 --> 1050
1848 --> 1064
1849 --> 1052
1850 --> ?
1851 --> ?
1852 --> 1080
1853 --> 1126
1854 --> 1176
1855 --> 1193
1856 --> 1180
1857 --> 1179
1858 --> 1190
1859 --> 1210
1860 --> 1202
1861 --> 1222
1862 --> 1238
1863 --> 1275
1864 --> 1281
1865 --> 1249
1866 --> 1261
1867 --> 1286
1868 --> 1269
1869 --> 1288
1870 --> 1274
1871 --> 1212
1872 --> 1190
1873 --> 1176
1874 --> 1164
1875 --> 1162
1876 --> 1173
1877 --> 1180
1878 --> 1188
1879 --> 1179
1880 --> 1164
1881 --> 1177
1882 --> 1179
1883 --> 1182
1884 --> 1195
1885 --> 1177
1886 --> 1175
1887 --> 1177
1888 --> 1213
1889 --> 1219
1890 --> 1206
1891 --> 1211
1892 --> 1206
1893 --> 1245
1894 --> 1275
1895 --> 1281
1896 --> 1276
1897 --> 1288
1898 --> 1307
1899 --> 1316
1900 --> 1313
1901 --> 1307
1902 --> 1318
1903 --> 1292
1904 --> 1306
1905 --> 1348
1906 --> 1356
1907 --> 1358
1908 --> 1382
1909 --> 1405
1910 --> 1369
1911 --> 1338
1912 --> 1309
1913 --> 1330
1914 --> 1349
1915 --> 1361
1916 --> 1361
1917 --> 1370
1918 --> 1336
1919 --> 1319
1920 --> 1357
1921 --> 1362
1922 --> 1349
1923 --> 1364
1924 --> 1358
1925 --> 1351
1926 --> 1356
1927 --> 1354
1928 --> 1340
1929 --> 1313
1930 --> 1281
1931 --> 1340
1932 --> 1396
1933 --> 1404
1934 --> 1420<br

-

NOTEN BIJ DE BIJLAGEN

1. F. van Hemert was ook gemeente-ontvanger van de gemeente Hurwenen en Rossum van 1810-1817. Hij werd pas op 20-2-1819 beëdigd, omdat hij niet eerder in staat was een borg te stellen. Op 12-9-1819 werd hij geschorst.

2. . Burgemeester van Goelst Meijer is al in februari 1943 ondergedoken. Pas in januari 1944 heeft hij officieel ontslag aangevraagd en gekregen.

3. Louis H. Janssen was van 1948 tot 1952 met ziekteverlof. Gedurende deze periode werd hij vervangen door de volgende waarnemers: G. Fuijkschot, 1948-1951; C.H. van Maanen, 1952; J.J. Meijdam, 1952.

4. Van 1845 tot 1853 waren deze drie personen gezamenlijk verantwoordelijk voor de financiën.

Keywords

Subjects:

Algemeen bestuur en Politiek