Netherlands > Nationaal Archief

3.01.50

Commissarissen der Posterijen

Posterijen Holland

1747-1810
C. Postma, C.E.F. Gerritsen
1977
Nationaal Archief, Den Haag
This finding aid is written in Dutch .
Beschrijving van het archief

Scope and content

Het archief van de Posterijen in Holland beslaat de periode vanaf het einde van de Republiek tot en met de Franse tijd. Het archief bevat o.a. eigendomsbewijzen van onroerende goederen, stukken betreffende personeel, financiën en organisatie van de postdienst, zoals instructies en reglementen en stukken betreffende de paardenpost.

Records creator's history

Geschiedenis van de archiefvormer

Het bestuurscollege

De posterijen in de Republiek waren vóór 1752 grotendeels in handen van diverse families, die er slechts financiële voordelen uit genoten. Van een bestuurscollege, dat de dienst organiseerde en de gelden beheerde was geen sprake. Weliswaar benoemde de Staten-Generaal bij resolutie van 21 februari 1632 Abraham Belle tot postmeester van de generaliteit (Staten-Generaal en Raad van State), doch van zijn werkzaamheden ten behoeve van de postdienst in het algemeen of van een bestuurscentralisatie blijkt niets. De enige band tussen een groot aantal postmeesters vormde de Sociëteitsrit, die werd onderhouden tussen enige Hollandse steden en Maastricht. De rit begon bij het verwisselkantoor van Alphen-aan-de-Rijn en eindigde in Hamont, gelegen in het destijds souvereine Prins-Bisdom van Luik [NOTE Mr. J.C.W. Le Jeune: Het brievenpostwezen in do Republiek, etc. (Utrecht 1851), blz. 145 vv. ] . Deze postsociëteit werd gelijktijdig met de overgang van de posterijen naar de Staten geliquideerd.

In 1716, toen men de toestand der geldmiddelen trachtte te verbeteren, was er sprake van geweest de inkomsten der Posterijen aan het gemene land te brengen, doch tot een afdoend resultaat was het niet gekomen. Alleen in de stad Rotterdam werd de opbrengst der posterijen in de stadskas gestort en het personeel door de vroedschap op een vastgesteld salaris in dienst genomen. De verkoop van ambten werd hierdoor uitgesloten.

Toen in 1747 Willem IV tot stadhouder werd uitgeroepen, kwam de postkwestie weer ter sprake. De algemene gedachte was, dat uit een goed georganiseerde postdienst grote financiële voordelen zouden voortvloeien, niet alleen voor het land maar ook voor de kooplieden, die met een snelle en verzekerde verzending der brieven zeker gebaat zouden zijn.

's-Gravenhage droeg als eerste de posterijen aan de Prins op, die ze op zijn beurt aan het land afstond. Weldra volgden de meeste (stemhebbende) steden dit voorbeeld.

Delft droeg haar posterijen regelrecht aan het land op.

De rol van enfant-terrible werd hierbij gespeeld door de vroedschap van Amsterdam, die van mening was, dat de overige steden hun posterijen met opzet aan de Prins hadden opgedragen, om hierdoor Amsterdam te bewegen hetzelfde te doen. Tot het nemen van het besluit tot overdracht waren de vroedschapsleden echter niet geneigd omdat zij bovendien meenden, dat het offer, door Amsterdam te brengen, wel zo groot zou zijn, dat de overige Steden hier, ondanks hun bijdrage, groot voordeel van zouden genieten [NOTE Jan Wagenaar: Vaderl. Hist, deel XX, blz. 126 vv. ] . De vroedschap reserveerde derhalve de opbrengst van de posterijen voor de stad, waardoor aan het weggeven van lucratieve betrekkingen bij de postdienst een eind kwam en de penningen aangewend zouden worden voor het in stand houden van liefdadige instellingen [NOTE t.a.p., blz. 268 v.v. ] . Men nam evenwel geen genoegen met dit besluit en het gevolg was, dat, nadat de Prins de wet verzet had, de posterijen toch aan het land werden opgedragen.

Onder de Staten van Holland

In het jaar 1748 stonden alle posterijen in Holland en West-Friesland, als gevolg van de overdrachten, onder het toezicht van de Staten van dit gewest, die tot taak hadden een bestuurscollege in het leven te roepen, dat in de eerste plaats een nieuwe organisatie zou moeten opbouwen.

De postdienst functioneerde in de jaren voor de overdracht weliswaar vrij goed, doch de onaangenaamheden vloeiden voornamelijk voort uit het feit, dat de opbrengst in verkeerde zakken terecht kwam en de portokosten dikwijls willekeurig werden geheven.

Bij resolutie van 22 februari 1749 benoemde de vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland een commissie om de voorbereidende werkzaamheden ter hand te nemen. De gecommitteerden kregen tot taak: "om de noodige informatiën te neemen ten aanzien van de posterijen binnen deese Provincie".

De gecommitteerden ondervonden bij de uitvoering van de hen opgelegde taak veel tegenstand van de zijde der postmeesters, die aanvankelijk vreesden, dat door de te nemen maatregelen hun bronnen van inkomsten in gevaar zouden komen. Om een goede basis voor hun werkzaamheden te verkrijgen wendden de gecommitteerden zich in een schrijven, gedateerd 5 juli 1749, tot de Statenvergadering, waarin verzocht werd om te willen mededelen op welk standpunt de Staten zich zouden plaatsen ten aanzien van een eventuele uit te keren schadevergoeding aan de thans in functie zijnde postmeesters. In de vergadering van 19 juli 1749 werd besloten de in functie zijnde postmeesters schadeloos te stellen en tevens de steden, die schade zouden lijden, bij de overdracht een som geld uit te betalen als vergoeding. Op 20 april 1751 deden de gecommitteerden aan de Staten een rapport toekomen, waarin ze omschreven, hoe de schadevergoeding geregeld zou kunnen worden. De Staten volgden de door de gecommitteerden aangewezen weg om tot een goede regeling te komen inzake de uit te keren schadevergoedingen bij resolutie van 23 juli 1751 waarbij zij tevens bepaalden, dat het bestuur en de administratie der posterijen met ingang van 1 januari 1752 aan de Staten zouden overgaan.

Door de Staten werden nu vijf Commissarissen benoemd, waarvan er twee in Amsterdam, één in Rotterdam en twee in Den Haag zouden resideren, in welke laatste plaats de vergaderingen van de Commissarissen gehouden zouden worden, Aan het college werd toegevoegd een ontvanger en een secretaris. De benoemde Commissarissen werden belast met de organisatie en het bestuur van de posterijen van Holland en West-Friesland en zouden verder 2 personen naar de steden afvaardigen om de organisatie van de dienst nader te onderzoeken en hiervan een rapport op te maken met bijgevoegd advies. Op 2 maart 1752 werd door de Staten in vergadering het door J. Le Jeune en W. Kersseboom opgestelde rapport in behandeling genomen, waarin werd gewezen op de onmogelijkheid om de posterijen met ingang van 1 januari 1752 te laten overgaan en werd verzocht de 1e juli daaropvolgende hiervoor te kiezen.

Het rapport bevat een gedetailleerd verslag van de organisatie van de postdienst in de Republiek, waaraan tevens de adviezen van de Commissarissen zijn toegevoegd. Tenslotte volgen ontwerpen voor de instructies te geven aan de Commissarissen, de Ontvanger en de Secretaris.

Het bestuur van het Postwezen werd geheel in handen gelegd van de Commissarissen, die voor al hun werkzaamheden verantwoording waren verschuldigd aan de Staten. Het archief van de Commissarissen zou geborgen worden "in een kas daartoe in een van de vertrekken van de Heeren Gecommitteerde Raaden te maaken". De ontvanger moest de rekeningen in drievoud opmaken: één exemplaar voor de "Provinciale Reekenkamer [NOTE Inventaris archief Rekenkamer ter Auditie door J. Smit, 's-Gravenhage 1946 (gedrukt), inv. nrs. 4367-4391. ] , één exemplaar voor de Commissarissen en één exemplaar voor de rendant. Verder behoorde o.a. tot zijn taak een jaarlijkse inspectietocht langs de postkantoren. De secretaris werd o.a. opgedragen de notulen te maken, toezicht te houden op het archief en te zorgen, dat de registers werden ingebonden en voorzien van indices. Het college van Commissarissen bestuurde het postwezen in Holland en West-Friesland aan de hand van bovenaangehaalde instructies tot 1 januari 1803.

De gebeurtenissen in 1795 hadden alleen tot gevolg, dat bij decreet van 4 maart 1795 een vijftal burgers tot Commissarissen werden benoemd in de plaats van de tot dusver bevoordeelde adellijke personen en zonen van regentenfamilies.

Na een periode, waarin vele vergaderingen werden gehouden en besprekingen werden gevoerd, werden de posterijen, ingevolge het besluit van het Uitvoerend Bewind van 21 mei 1799 en het besluit van het Staatsbewind van de Bataafsche Republiek van 6 december 1802 nationaal verklaard [NOTE Mr. W.J.M. Benschop: Hoe de Ned. Posterijen nationaal werden, Artikelenreeks overgenomen uit P.T.T.-nieuws, 9e en 10e jaargang, 16 januari t/m 16 december 1940. ] . Een nieuwe instructie voor de Commissarissen van de Bataafsche Posterijen werd vastgesteld bij besluit van het Staatsbewind van 23 november 1802, no. 39. Het aantal Commissarissen bedroeg voortaan zeven.

Franse inmenging

In de nu volgende jaren werd de organisatie van het postwezen onveranderd gelaten, doch na 1806 werd het bedrijf meer en meer op Franse leest geschoeid en mengden zich van tijd tot tijd ongevraagd en onbevoegd Franse autoriteiten in de bestuurszaken.

De wankele positie van Koning Lodewijk Napoleon maakte het mogelijk, dat de Directeur-Generaal der Franse posterijen zich reeds voor de inlijving het recht aanmatigde uit Parijs een aanschrijving te richten tot de directeuren der postkantoren inzake het continentale stelsel [NOTE H.J. Lettink: De ontwikkelingsgeschiedenis der Ned. Posterijen, (Breda 1888), biz. 41 vv. ] . Het einde van het bestaan van het College van Commissarissen kwam als gevolg van het "Décret impérial, 18 Oct. 1810, contenant le règlement général pour l'organisation des départements de la Hollande". Artikel 140 van dit decreet luidde : "Le service des postes sera organisé dans les nouveaux départements conformément aux lois francaises". De Franse regeling voor het postwezen van 16 juni 1808 trad nu in werking. In de laatste jaren van het Franse keizerrijk werd de in 1809 in ons land opgerichte paardenposterij geperfectionneerd.

Na 1813

Na de terugkeer van Oranje in 1813 werd besloten het College van Commissarissen niet opnieuw aan te stellen. De Koning benoemde spoedig een Algemeen-Postmeester [NOTE Bij Kon. Besl. van 9 december 1813, no. 11. ] in de plaats van de Franse Directeur-Principaal.

De posterijen kwamen in 18l9 rechtstreeks te ressorteren onder het departement van Financiën. Deze maatregel is geenszins in het voordeel van de dienst geweest. Het postbedrijf werd verwaarloosd en de organisatie versteende langzamerhand, doordat bij de leiding ieder initiatief ontbrak. In de pers werd omstreeks 1849 tegen de bestaande toestand sterk geageerd, wat tot gevolg had, dat een reorganisatie ter hand werd genomen, waaruit in 1850 de Postwet geboren werd, die het postwezen uit haar isolement verloste en voor de Directie de mogelijkheid schiep de zozeer gewenste reorganisatie tot stand te brengen.

Overzicht van het hoofdbestuur der posterijen

(Gegevens ontleend aan: J. Giphart: Inventaris van het familiearchief Le Jeune, 1747-1810 ('s-Gravenhage 1956), inv. nr. 280 en E.A.B.J., ten Brink: Geschiedenis van het Nederlandse Postwezen, 1795-1810 ('s-Gravenhage 1950).)

I Van de staten van Holland en West-Friesland 1752-1795

1752

1752
benoemd 5 Commissarissen (Edele Mogende Heren)
J. baron van Boetselaer van Nieuveen
W. baron van der Does van Noortwijk
Mr. H. ter Smitten
Mr. C. van Collen
Mr. H. Cornets de Groot
Mr. W. Kersseboom, secretaris
J. Le Jeune, ontvanger

1753

1753
overleden Mr. H. ter Smitten 16 februari 1753
benoemd Mr. E. Schellinger 9 maart 1753

1767

1767
overleden Mr. C. van Collen 3 oktober 1767
benoemd Mr. F. van Collen 29 oktober 1767

1771

1771
overleden Mr. W. Kersseboom- secretaris 1 september 1771
benoemd Mr. S.E. Croiset- secretaris 2 oktober 1771

1772

1772
afgetreden J. baron van Boetselaer van Nieuveen 12 maart 1772
benoemd Mr. D. Bouwens 12 maart 1772
overleden Mr. E. Schellinger 31 december 1772

1773

1773
benoemd Mr. N. Geelvinck 12 januari 1733
overleden Mr. F. van Collen 14 november 1773
benoemd Baron de Petersen 9 december 1773
G.W. Le Jeune - commies-generaal 3 november 1773

1777

1777
overleden Mr. H. Cornets de Groot 30 april 1777
benoemd Mr. G.D. Denick 7 mei 1777

1780

1780
overleden Baron de Petersen 21 januari 1780
benoemd Mr. W.G. Dedel 4 april 1780
overleden Mr. G.D. Denick 12 september 1780
benoemd Mr. J. Bichon van IJsselmonde 27 september 1780

1783

1783
benoemd G.W. Le Jeune - adjunct-ontvanger en commies-generaal 13 september 1783

1787

1787
overleden W. baron van der Does van Noortwijk 31 maart 1787
benoemd W.F.H. baron van Wassenaar van Catwijck 23 mei 1787
overleden Mr. N. Geelvinck 3 december 1787

1788

1788
benoemd Mr. H. van de Poll 11 april 1788
overleden Mr. D. Bouwens 31 mei 1788

1790

1790
overleden J. Le Jeune-ontvanger 2 november 1790
benoemd C.W. Le Jeune-ontvanger 22 november 1790
Mr. S.F. L'Honoré - commies-generaal 23 november 1790

1794

1794
benoemd D. baron van Boetselaer van Kijffhoek 5 februari 1794

1795 tot 3 maart in functie:

1795 tot 3 maart in functie:
W.F.H. baron van Wassenaar van Catwijck
Mr. W.G. Dedel
Mr. J. Bichon van IJsselmonde
Mr. H. van de Poll
D. baron van Boetselaer van Kijffhoek
Mr. S.E. Croiset - secretaris
C.W. Le Jeune - ontvanger
Mr. S.F. L'Honoré - commies-generaal (overleden 11 januari 1795)

II Van de Bataafse Republiek 1795-1806

Op 3 maart 1795 worden de bovengenoemde commissarissen van hun ambt ontheven en tot commissarissen der Bataafse Posterijen worden aangesteld (Burger Commissarissen).

1795 vanaf 4 maart:

1795 vanaf 4 maart:
benoemd Mr. J.G.H. Hahn, eerste commissaris 4 maart 1795
J. Dekker Sr. 4 maart 1795
D. Claus Bosch 4 maart 1795
Z.A. Eekhout (i.p.v. A. van Beem) 13 maart 1795
Mr. A. Gevers (i.p.v. G. Kemenaar) 13 mei 1795
aangebleven Mr. S.E. Croiset - secretaris
C.W. Le Jeune - ontvanger
benoemd Mr. L. van Toulon - commies-generaal 4 maart 1795

1800

1800
overleden D. Claus Bosch 12 juni 1800

De Posterijen nationaal verklaard, per 1 januari 1803 7 Commissarissen aangesteld:

1803

1803
herbenoemd Mr. J.G.H. Hahn, eerste commissaris
Z.A. Eekhout
Mr. A. Gevers
nieuw-benoemd G.B. Koopman
Mr. P.U. Ringers
Mr. J.B. Forsten
Mr A.H. Cramer
herbenoemd Mr S.E. Croiset - secretaris
gecontinueerd Mr. L. van Toulon - commies-generaal
C.W. Le Jeune - ontvanger

De Posterijen waren weliswaar reeds in 1799 genationaliseerd maar pas in 1803 trad het eerste nationaal postbestuur in werking. Alle commissarissen fungeerden om toerbeurt voor 3 maanden als eerste commissaris, te beginnen bij Mr. J.G.H. Hahn.

afgetreden Mr. P.U. Ringers 10 februari 1803
benoemd G.H. Mulders 11 februari 1803
gepensionneerd Mr. S.E. Croiset 6 december 1803

1804

1804
benoemd Mr. L. van Toulon - secretaris 1 januari 1804
gecontinueerd C.W. Le Jeune - ontvanger

Met de benoeming van Mr. L. van Toulon tot secretaris komt de functie van commies-generaal te vervallen.

III. Van het Koninkrijk Holland 1806-1810

1806

Het oude bestuur der Bataafse Posterijen blijft vooralsnog in functie.

1807

1807
Directeur - Generaal (der Koninklijke Posterijen van Holland)
benoemd G.J. Pijman (maart- december 1807) 27 februari 1807
administrateur-generaal (Raden der Koninklijke Posterijen)
benoemd Mr. J.G.H. Hahn 10 oktober 1807
G.B. Koopman 10 oktober 1807
Mr. D. Donker van der Hoff 10 oktober 1807
secretaris-generaal
benoemd Mr. L. van Toulon 10 oktober 1807
inspecteur-generaal
benoemd Z.A. Eekhout 10 oktober 1807
G.H. Mulders 10 oktober 1807
Mr. J.B. Forsten 10 oktober 1807
Mr. A.H. Cramer 10 oktober 1807
P.S. Dedel 26 oktober 1807
L.M. Pelletier de Chambure 5 november 1807
Directeur-Generaal
benoemd Mr. W. Queysen (december 1807-dec. 1808) 30 november 1807

De functie van ontvanger-generaal wordt opgeheven per 1 jan. 1808

1808

1808
afgetreden Mr. L. van Toulon - secretaris-generaal 29 februari 1808
benoemd Mr. J. Bannier - secretaris-generaal 29 februari 1808
functie-wisseling tussen G.B. Koopman en Z.A. Eekhout 4 mei 1808

1809

1809
Directeur- Generaal
benoemd G.W.J. baron van Lamsweerde (jan.l809-dec.l8l0) 22 december 1808
overleden G.W. Mulders, inspecteur-generaal 14 december 1809

1810

1810
benoemd J.A. baron van Heeckeren tot Enghuizen tot inspecteur-generaal 3 Januari 1810

Op 1 januari 1811 treedt L.M. Pelletier de Chambure in functie als directeur principal in de Hollandse departementen. Hij ressorteert onder de Directeur-Général der Franse Posterijen te Parijs, graaf de Lavalette.

Op 1 april 1811 wordt in ons land volledig de Franse postorganisatie ingevoerd.

Archival history

Geschiedenis van het archiefbeheer

De secretaris bewaarde volgens zijn instructie het archief van het College van Commissarissen. Na de liquidatie is het archief ongetwijfeld goed opgeborgen en wel zó goed, dat mr. J.C.W. Le Jeune in het voorwoord van zijn studie "Het brievenpostwezen in de Republiek" [NOTE Mr. J.C.W. Le Jeune: Het brievenpostwezen in de Republiek, etc. (Utrecht 1851), blz. 145 vv. ] , uitgegeven in 1851, vermeldt, dat het hem niet bekend is, waar het archief van de Commissarissen zich bevindt.

Eerst in het jaar 1871 werd het archief teruggevonden op het departement van Financiën, waar het bij de grote overdracht van archivalia aan het Algemeen Rijksarchief in 1860 was achtergebleven. [NOTE Archief Algemeen Rijksarchief, ingekomen brieven 22-5-1871, nr.82. ] Het is toen onmiddellijk overgedragen en kort daarop, naar alle waarschijnlijkheid door de commies-chartermeester J. H. Hingman, geïnventariseerd.

Een nieuwe overdracht van stukken volgde in 1940, ditmaal door de Directeur-Generaal der P.T.T. [NOTE Algemeen Rijksarchief, ingekomen en uitgaande brieven, Derde Afdeling 1940, nr. E 76. ]

De overgedragen stukken waren voornamelijk afkomstig van Jacques, Jacob Otto en Cornelis Le Jeune, respectievelijk de grootvader, oom en vader van de bovengenoemde auteur mr. J.C.W. Le Jeune, van 1814-1842 ambtenaar aan het departement van Financiën wiens voorouders o.a. als ontvangers aan het College van Commissarissen verbonden waren geweest en die van vele stukken copieën deden vervaardigen of concepten ervan bewaarden.

De oude inleiding bij de inventaris van 1752-1810 ("Inventaris van het archief van de Commissarissen van de Posterijen van de Staten van Holland en West-Friesland, 1752-1810, door C. Postma") gemaakt in 1949 meldt nog het volgende:

Het restant van de overgedragen stukken bestond uit de archieven der plaatselijke kantoren, voornamelijk bestaande uit dienstorders en "toevallig bewaard gebleven papieren".

De navolgende inventaris beschrijft de stukken, die in 1871 en 1940 aan het Algemeen Rijksarchief zijn overgedragen. Getracht is de inventaris van het archief van de Commissarissen in te richten overeenkomstig de oorspronkelijke orde en voor zover die oorspronkelijke orde niet terug te vinden was, in de stijl van de archieven uit die tijd.

Processing information

Verantwoording van de bewerking

Bij de herziening van de inventarissen van de hand van J. Giphart en C. Postma werd de oorspronkelijke opzet zoveel mogelijk gehandhaafd.

Zo bleven o.a. de rubriekenindelingen ongewijzigd, terwijl de inventarisnummers slechts in de meest noodzakelijke gevallen werden veranderd.

Wel werden de beschrijvingen der archiefstukken hier en daar herzien en zoveel mogelijk aangepast aan de heden ten dage gebruikelijke archiefterminologie.

Verder werden de volgende wijzigingen aangebracht:

In de inventaris van J. Giphart werd wat betreft de papieren toegang de inhoudsopgave achter in de inventaris naar voren geplaatst en de volgorde der bijlagen gewijzigd.

Verder werden de inventarisnummers van het Supplement betreffende stukken die na de inventarisatie door J. Giphart nog tot het archief van Jaques en Cornelis Willem Le Jeune bleken te behoren, opgedeeld onder de desbetreffende inventarisonderdelen, hetgeen tot gevolg had, dat de navolgende inventarisnummers werden gewijzigd:

oud inventarisnummer nieuw inventarisnummer
37 37b
269 269a
284 37
285 37a
286 44a
287 211a
288 211b
289 269

In de inventaris van C. Postma:

Source of acquisition

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend

Conditions governing access

Openbaarheidsbeperkingen

Volledig openbaar.

Conditions governing reproduction

Beperkingen aan het gebruik

Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.

Physical characteristics and technical requirements

Materiële beperkingen

Existence and location of copies

Beschikbaarheid van kopieën

Het archief is gedupliceerd op microfilm.

Preferred citation

Citeerinstructie

Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.

VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Commissarissen der Posterijen, 1752-1802 (1811), nummer toegang 3.01.50, inventarisnummer ...

VERKORT:
NL-HaNA, Posterijen Holland, 3.01.50, inv.nr. ...

Extent

36.40 meter; meter, 329 inventarisnummers. files

Other descriptive information

Aanvraaginstructie

Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:

  1. U maakt een profiel aan op www.gahetna.nl , en logt vervolgens in;
  2. Via de archiefinventaris (alleen de beschrijvingen met rode nummers) selecteert u het gewenste archiefstuk door op de knop 'Reserveren' te klikken;
  3. In het volgende scherm geeft u aan op welke dag u het archiefstuk wilt inzien;
  4. Indien u zich bevindt in de studiezaal en een tafelnummer heeft ontvangen kunt u dit nummer vermelden. Als u geen tafelnummer heeft kunt u tafelnummer 777 laten staan;
  5. Vervolgens bevestigt u uw reservering door deze te versturen.

Concordans

 

Oud Inv. nr. Nieuw Inv. nr.
1-38 24-61
39 126
39a 129
39bis 130
40 122
40a-c 125-127
41-63 1-23
64-123 62-121
124-127 143-146
128-130 140-142
131-132 303-304
133-135 131-137
138-141 246-249
142-190 173-221
190a-b 223-225
191-192 222-223
193-194 226-227
195-196 228
197-234 259-297
235 ontbreekt
236 231
237 258
238-239 149-150
240-242 170-172
243-244 vervalien
245 305
246-247 152-153
248 151
249 148
250-257 155-162
258-261 242-245
262 147
263 308
264 300-302
265 307
266 237
267-268 naar G.A. Leiden
269 299
270-272 234-236
273 233
274 in archief nà 1813
275 254
276 inv. archief nà 1813
277 256
278 154
279 ontbreekt
280 257
281-282 148a
283 178
284 250-253, 255, 136
285 254
286 niet opgenomen
287 l64a en 165a
288-291 167
289 166
290 168-169
292 137 en 164

Keywords

Personal names:C. Postma
Personal names:C. Postma
Personal names:C. Postma
Titles of related works:

Het brievenpostwezen in de Republiek der Vereenigde Nederlanden.
Titles of related works:

De ontwikkelingsgeschiedenis der Nederlandsche posterijen.
Titles of related works:

Geschiedenis van het postwezen in Nederland voor 1795 met de voornaamste verbindingen met het buitenland.
Titles of related works:

Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde
Titles of related works:

P.T.T.-Nieuws

Language of the material

Het merendeel der stukken is in het Nederlands .

Records creator


Archiefvormers: :

Commissarissen der Posterijen in Holland , 1752-1795



Commissarissen der Bataafse Posterijen, 1795-1806

Commissarissen der Koninklijke Hollandse Posterijen, 1806-1807

Directeur-generaal der Koninklijke Hollandse Posterijen, 1807-1810

Content provider

Nationaal Archief, Den Haag

Material-specific details

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.