Netherlands > Stadsarchief Deventer

1382

Gemeentebestuur van Deventer II (1930-1950)

1930-1950
2020
Stadsarchief Deventer
Nederlands

Physical description

51 m

General remarks

Citeertitel lang

NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 1382, Gemeentebestuur van Deventer II (1930-1950), inv.nr. ....

Voorwaarden voor reproductie

De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.

Opmerkingen

Wordt ook wel genoemd Secretarie-archief 1930-1950. zie ook ID 1355<br/>

Other descriptive information

De geschiedenis van de gemeente

De oudste nederzetting in de buurt van Deventer dateert van ongeveer 1300 voor Christus en is te plaatsen in het huidige Colmschate, tegenwoordig een van de buitenwijken van de stad. De bewoning in de huidige stadskern, rondom het Grote Kerkhof, ontstond met de stichting van een kerkje door de Angelsaksischs geestelijke Lebuinus, de patroonheilige van de stad. De Gouden Eeuw voor Deventer viel in de vijftiende eeuw; de stad was aangeslo-ten bij het Hanzeverbond en in de wijde omtrek bekend door zijn vijf jaarmarkten. In de tweede helft van de zestiende eeuw komt er mede door de Tachtigjarige Oorlog een einde aan deze periode van grote bloei. In de zeventiende en achttiende eeuw was Deventer een vrij onbetekende provincie¬stad en liep het aantal inwoners terug. Pas na 1750 nam de bevolking weer enigszins toe. Deventer zat als vestingstad in een keurslijf van stadswal-len. Na 1874 met de opheffing van de vesting kreeg de stad de mogelijkheid om uit te breiden. In de periode daarna maakte de stad een sterke bevol¬kingsgroei en industrialisering door. Aan het eind van de jaren twintig van deze eeuw ksnde Deventer een veelzijdige industrie met houtzagerijen, drukkerijen, ijzergieterijen, koek-, tapijt-, textiel-, capsule-, rijwiel-, sigaren- en vleesfabrieken.

Bestuur

Bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen na de invoering van het algemeen kiesrecht werd de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (S.D.A.P.) de grootste partij in Deventer. In 1927 nam zij deel aan het College met twee van de vier beschikbare wethouderszetels. Van 1927 tot aan de Tweede Wereldoorlog hebben steeds dezelfde drie partijen deelgenomen aan het College van Burgemeester en Wethouders, namelijk de Vrijzinnig Democratische Bond (V.D.B.), de Rooms Katholieke Staatspartij (R.K.S.P.) en de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (S.D.A.P.). [NOTE Zie de bijlagen: Lijsten van Burgemeesters en Wethouders; verkiezingen van raadsleden] . Links van de S.D.A.P. bevonden zich twee partijen: de Revolutionaire Socialistisch Arbeiders Partij (R.S.A.P.) en de Communistische Partij (C.P). De R.S.A.P. stelde landelijk weinig voor, maar in Deventer was zij met 10 tot 15 procent van de stemmen een van de grotere partijen. Deze partij wilde door middel van algemene werkstakingen en volksopstand een revolutie te weeg brengen. In 1935 kregen de linkse partijen S.D.A.P, R.S.A.P. en C.P.N. voor het eerst een meerderheid in de Gemeenteraad. Na de oorlog werd de linkse meerderheid voor Deventer regel.
Ondanks het Linkse karakter van de Raad, hebben Burgemeester en Wethouders de meeste rijksbezuinigingsmaatregelen, die de arbeiders het hardst troffen, overgenomen. Bij de regering woog de harde gulden zwaarder dan een enigszins redelijk sociaal beleid. De S.D.A.P. wethouders werden vaak ongewild een verlengstuk van deze politiek. Dit bleek vooral bij de kortingen op de ambtenarensalarissen in 1932, 1934 en 1936, waarbij maatregelen moesten worden doorgevoerd die in geen enkel opzicht strookten met het programma van de S.D.A.P.

Op 29 juli 1940 berichtte de Commissaris van de Koningin in de provincie Overijssel, op last van het Departement van Binnenlandse Zaken, dat leden van de Gemeenteraad die behoorden tot de Communistische Partij Nederland en de Socialistische Arbeiderspartij zich terstond moesten onthouden van deelneming aan enige werkzaamheid van de Raad. Met ingang van 30 juli 1940 werden de gemeenteraadsleden P. Bosma, A.J. Gerards, A.J. Gerritsen en J.H.E. Roebers van het raadslidmaatschap uitgesloten. Alleen Gerards overleefde de oorlog. In de eerste vergadering van de Tijdelijke Raad op 26 november 1945 zijn zij door de voorzitter herdacht. De Raad vergaderde het laatst op 29 juli 1941.
Ingevolge een verordening van de rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied werden de werkzaamheden van de Raad en het College van Burgemeester en Wethouders met ingang van 1 september 1941 stopgezet. De taken van deze colleges werden vanaf die datum waargenomen door de Burgemeester. De wethouders, met uitzondering van Th.H. Beerents, aan wie met ingang van 1 april 1943 op last van de bezetter ontslag werd verleend, bleven tot het aantreden van de waarnemend burgemeester hun taak op vrijwel gewone wijze vervullen. Met ingang van 18 september 1944 werd H. van der Molen belast met de waarneming van het ambt van burgemeester.
Mr. F.W.R. Wttewaal werd door de rijkscommissaris voor het beperkte Nederlandse gebied op 11 oktober 1944 ontslagen.

Mr. F.W.R. Wttewaal hervatte zijn functie op 16 april 1945. Met ingang van 20 juni 1945 werd hem op zijn verzoek wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd eervol ontslag verleend. De gemeente stond van 10 april tot eind augustus 1943 onder militair gezag. Met ingang van 20 juni 1945 werd tot tijdelijk Burgemeester benoemd ir. CA. Doets, die tot 20 juni 1946 deze functie vervulde. Zijn opvolger was mr. H.W. Bloemers benoemd tot Burgemeester van Deventer.
Van 26 november 1945 tot 28 oktober 1946 stond een Tijdelijke Raad aan het hoofd van de gemeente. De Tijdelijke Raad had slechts een beperkte bevoegdheid. Ingevolge het besluit "Tijdelijke Voorziening Gemeenteraden" was een gedeelte van de bevoegdheid van de Raad aan College van Burgemeester en Wethouders opgedragen. De eerste door de kiezers gekozen Raad kwam op 28 oktober 1946 weer bijeen. De samenstelling van de Raad bestond uit: Partij van de Arbeid 10 zetels, Communistische Partij 8, Katholieke Volkspartij, Christelijke Historische Unie en Antirevolutionaire Partij gezamenlijk 2 en Partij van de Vrijheid, na januari 1948 Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, 2 zetels.

Grenswijziging

In 1940 werd door Gedeputeerde Staten van Overijssel in overleg met de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken een plan opgesteld tot herziening van de gemeentelijke indeling van Overijssel. De gemeente Deventer zou volgens het plan de dorpen Diepenveen, Borgele, Schalkhaar en Platvoet en het gebied van de algemene begraafplaats aan de Raalterweg toegewezen krijgen. De gemeente Diepenveen zou worden opgeheven. Het resterende grondgebied zou verdeeld worden onder de gemeenten Olst en Bathmen. Tevens werd voorgesteld de Stenenkamer, gelegen in de gemeente Voorst, aan het grondgebied van de gemeente Deventer toe te voegen. Tenslotte heeft het gemeentebestuur besloten aan Gedeputeerde Staten te berichten van het plan te moeten afzien daar zij geen misbruik wenste te maken van de bijzondere tijdsomstandigheden.

Gemeentelijke organisatie

De ambtelijke organisatie bestond uit de secretarie, de diensten en de bedrijven. Daarnaast bestonden nog de aan de gemeentelijke organisatie gelieerde instellingen.
De secretarie was tot 1939 onderverdeeld in drie afdelingen,
- algemene zaken;
- bevolking, burgerljke stand en militaire zaken;
- inanciën;
Het bureau Nieuw Archief was geplaatst onder de afdeling Algemene Zaken. In 1939 werd de Verordening regelende de Inrichting van de Secretarie vastgesteld. In deze verordening werd de organisatie, wijze van benoeming, bezoldiging, openingstijden, openbaarheid enz. geregeld. In 1939 werd de afdeling onderwijs toegevoegd aan de drie bestaande afdelingen. Tot de gemeentelijke organisatie behoorden de volgende diensten en bedrijven: Gemeentewerken, Sociale Zaken, Havengrondbedrijf, Gasfabriek Hogedruk-waterleiding, Electriciteitsbedrijf, Gemeentereiniging, Gemeentelijke Ontsmettingsdienst, Keuringsdienst van Vee en Vlees, Landerijen en Plantsoenen, Haven- en Marktbedrijf, Arbeidsbeurs, Spoorbedrijf, Ontvanger, Oud Archief.
In het bestuur van de aan de gemeentelijke organisatie gelieerde instellingen waren leden van het gemeentebestuur vertegenwoordigd. De instellingen waren over het afgelopen jaar rekenplichtig en verslaglegging verschuldigd aan de Gemeenteraad.
De Gemeentelijke Dienst voor Sociale Zaken werd op 25 juni 1940 door de Gemeenteraad ingesteld. De dienst had als taak arbeidsbemiddeling, werkloosheidsverzekering, werkverschaffing, steunverlening, maatschappelijk hulpbetoon, controle en inlichtingendienst. De Burgerlijke Instelling voor Maatschappelijk Hulpbetoon bleef hiernaast bestaan. Aan deze instelling was de burgerlijke armenzorg opgedragen. Door de Dienst van Sociale Zaken werd aan de Burgerlijke Instellingen voor Maatschappelijk Hulpbetoon de nodige bijstand verleend. Op 27 augustus 1945 werd de instelling opgeheven. Met ingang van 5 oktober 1940 werd de arbeidsbemiddeling een rijkstaak.

Er kwam een rijksarbeidsbureau; de gemeentelijke arbeidsbemiddeling werd veranderd in een rijksbureau.
Door het bombardement op 6 februari 1945 werd het kantoor van de Sociale Dienst in de Bagijnenstraat 5-6 vernietigd waarbij de administratieve bescheiden verloren zijn gegaan.
Op 8 oktober 1947 werd de Geneeskundige dienst opgericht met als taken o.a. E.H.B.O., schooltoezicht, onderzoek van sollicitanten, controle bij ziekte, vaccinaties.
Met ingang van 1 februari 1944 werd het gemeentelijk slachthuis, waaronder begrepen de Keuringsdienst van vee en vlees, aangewezen als tak van dienst. Met ingang van 1 januari 1950 werd besloten tot herziening van de bepalingen voor de bedrijven en tot aanwijzing van de Dienst van Gemeentewerken en de Ontsmettingscjlienst als takken van dienst.
Het Havengrondbedrijf en Spoorbedrijf werden bij hetzelfde besluit samengevoegd tot één bedrijf, het Havengrond- en Spoorbedrijf, en met de dienst Gemeentewerken verenigd tot de bedrijfsgroep Openbare Werken.
De Ontsmettingsdienst werd samengevoegd met de Reinigingsdienst tot één bedrijf, de Reinigings- en Ontsmettingsdienst.
Op 4 februari 1944 vierde de Brandweer zijn 50-jarig bestaan. De brandweerkazerne aan de Kleine Poot 14 werd op 23 april 1945 in gebruik genomen. Tengevolge van de woningnood werd in 1946 het Bureau huisvesting in het leven geroepen.
Op 22 november 1948 besloot de Raad de wederopbouwwerkzaamheden over te nemen. Het plaatselijk bureau voor de wederopbouw werd een gemeentelijk wederopbouwbureau onder leiding van de direkteur Openbare Werken, evenwel onder supervisie van de hoofdingenieur-directeur van de directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provincie Overijssel. In april 1949 werd het bureau wederopbouw geheel door de gemeente overgenomen en werd het een afdeling van de dienst Openbare Werken. Het personeel dat in aanmerking kwam om overgenomen te worden, trad in gemeentedienst.

Bevolking

Deventer telde 36.393 inwoners op 1 januari 1930; 41.096 op 1 januari 1940 en groeide tot 43.403 op 1 januari 1945; op 1 januari 1950 45.607. In 20 jaar was het aantal inwoners met 9.214 gestegen.

Financiën

In 1931 is de Plaatselijke Inkomstenbelasting vervallen.
De financiële toestand van de gemeente was in de jaren 1937-1939 tengevolge van de crisis en werkloosheid uiterst zorgwekkend. Het tekort op de begroting werd in de eerste plaats veroorzaakt door de stijgende uitgaven voor de armen- en de werklozenzorg, waaronder begrepen de kosten van werkverschaffing.
De financiële positie van de gemeente was in 1940 niet verbeterd. Door de oorlogsomstandigheden in 1940 waren alle verbindingen verbroken, geld voor de salarissen was niet aanwezig. Daarom liet de gemeente noodgeld drukken. De verbindingen werden zo snel hersteld dat het niet nodig was het geld in circulatie te brengen.
In de periode 1940 tot en met 1944 steeg het begrotingstekort aanzienlijk. De tekorten werden veroorzaakt door de oorlogsomstandigheden, de verschillende maatregelen en voorzieningen, die in verband hiermee getroffen moesten worden, de stijging van lonen en prijzen, de invoering van de kinderbijslag en de uitbreiding van het politiepersoneel. De armenzorg kostte veel geld. Ook de ondersteuning van de werklozen betekende de eerste 2 jaar een extra uitgavenlast voor de gemeente. In 1942 kwamen de kosten ter bestrijding van de werkloosheid ten laste van het Rijk. De gemeenten ontvingen een subsidie van het Rijk gelijk aan de uitgekeerde bedragen.
Bij besluit van 15 juli 1943 werd de financiële verhouding tussen Rijk en Gemeenten gewijzigd, wat noodzakelijk was geworden door de invoering van de Inkomsten- en loonbelasting. De Inkomsten- en loonbelasting verving de Inkomstenbelasting van 1914, de gemeentefondsbelasting en de gemeentelijke opcenten op deze belasting. De zakelijke bedrijfsbelasting werd vervangen door de ondernemingsbelasting 1942.
De financiële positie van de gemeente bood na de oorlog een somber beeld. Het was niet mogelijk de begrotingen sluitend te maken. De gemeente maakte de begrotingen over die jaren sluitend door geld te lenen voor een bedrag van f.1.952.00

De rentekosten op deze leningen waren extra uitgaven. De zelfstandigheid van de gemeente werd beknot door het extra toezicht ingevolge de noodlijdendheidsvoorwaarden. Om voor een noodlijdendheidsbijdrage in aanmerking te komen was de gemeente verplicht de algemene voorwaarden, verbonden aan de toekenning van deze noodlijdendheidsbijdrage uit het gemeentefonds te aanvaarden. Dit betekende, dat de gemeente alle besluiten of handelingen die financiële consequenties hadden eerst moest overleggen met de Commissaris van de Koningin. Door de algemene voorwaarden te aanvaarden werd de gemeente verplicht een nieuwe heffing van opcenten op de hoofdsom van de personele belasting en van de grondbelasting op te leggen. Het tekort op de begrotingen 1945 tot en met 1947 bedroeg meer dan een miljoen gulden. De totale schuld bedroeg tussen de 16 en 19 miljoen. De in 1948 tot stand gekomen noodvoorziening gemeentefinanciën, die gold voor de jaren 1948-1950, bracht voor de gemeenten een belangrijke verbetering, in plaats van het tot dusverre geldende stelsel van uitkeringen uit het gemeentefonds. De gemeenten kregen ten gevolge van deze nieuwe regeling uit dit fonds ten eerste een jaarwedde uitkering, ten tweede een algemene uitkering, ten derde een belasting uitkering en ten vierde een bijzondere uitkering voor het geval de laatste twee uitkeringen niet voldoende waren om de gemeenten in staat te stellen in de kosten van haar huishouding te voorzien. Om in aanmerking te komen voor de bijzondere uitkering werd als eis gesteld dat de gemeentebelastingen tot een bepaalde hoogte werden opgevoerd.

Gemeentepersoneel

De salarissen van de ambtenaren en de lonen van de gemeentewerklieden bleven in de jaren dertig niet verschoond van de kortingspolitiek van de regering. De Rijkscrisiskorting voor het gemeentepersoneel moest vóór 1 mei 1932 zijn gerealiseerd, anders zouden de uitkeringen uit het gemeentefonds worden verlaagd. Vanwege deze financiële sancties was het gemeentebestuur genoodzaakt de voorgeschreven korting van tenministe 3 procent door te voeren. Bovendien was het één van de voorwaarden van de Rijkssteunregeling, waartoe de gemeente in 1932 toegetreden was, dat de salarissen van de gemeenteambtelaren verlaagd zouden worden. In 1934 volgde een nieuwe bezuiningsronde met een korting van gemiddeld 7,5 %. In maart 1935 werden bovengenoemde tijdelijke kortingen vervangen door een algemene salarisherziening. In een circulaire van september 1935 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd voorgeschreven om de salarissen van ambtenaren nogmaals te laten dalen met 5 % en de lonen op het plaatselijke loonpeil te brengen. De Gemeenteraad was van mening, dat voor een dergelijke belangrijke korting geen deugdelijke motieven werden aangevoerd. Uiteindelijk verlaagde de Raad in juli 1936 de salarissen en de lonen met 2,2 %. Ten aanzien van de salarissen ging de minister akkoord, maar de lonen van de gemeentewerklieden werden door een aanwijziging van de minister op 15 augustus 1936 aangepast aan het lagere plaatselijke loonpeil. Op last van de bezetter werd begin 1943 de Commissaris van Politie Anton Pieter van Tricht ontslagen. Hij werd vervangen door de Korpschef C. Versloot.

Verschillende politieagenten werden gedurende deze periode op last van de bezetter ontslagen. In verband met illegaal werk werden de agent F.J. Kluiwstra en de inspecteur G.H. ter Horst gearresteerd en naar een concentratiekamp in Duitsland overgebracht, waar beide zijn overleden. Na de bevrijding werden met de waarneming van het commissariaat van politie belast J. Franx en D.W. Toussaint en met ingang van 1 augustus 1945 J. Bokma, die op 1 maart 1946 werd benoemd tot commissaris van politie.
J.W. Gerritsen, ambtenaar op de afdeling bevolking, was actief in het verzet o.a. met het vervalsen van persoonsbewijzen. Hij werd gearresteerd en naar Duitsland weggevoerd van waar hij niet meer is teruggekeerd.
J.A. Schopman van de Gemeente Lichtbedrijven, die in Duitsland tewerkgesteld was, kwam bij een luchtaanval in 1943 om het leven. Na de Mei-staking in 1943 werden 3 medewerkers van het Gemeente Lichtbedrijven enige weken in het concentratiekamp Vught op gesloten. Tengevolge van een voltreffer op de fitterij aan de Bruijnsteeg kwam de eerste fitter H.F.K. Berghuys om het leven. Twee andere personeelsleden werden zeer ernstig gewond.

De belangrijkste gebeurtenissen

Door de economische crisis in de jaren dertig werd de werkloosheid steeds groter. Bedrijven moesten inkrimpen of sluiten.
De uitgaven voor de armenzorg stegen onrustbarend. De werking van de Armenwet had voor alle grote steden een enorme toeloop van armlastigen van het platteland ten gevolge. De trek van deze categorie werklozen naar Deventer heeft in ieder geval tot aan de Tweede Wereldoorlog voortgeduurd. De voornaamste redenen van de armlastige gezinnen uit de omliggende gemeenten om zich in Deventer te vestigen waren:
- geen behoorlijke en humanitaire toepassing van de Armenwet door de plattelandsgemeenten;
- het veelal voor korte tijd aannemen van arbeidskrachten uit andere gemeenten door verschillende industrieën (ook wanneer er plaatselijk voldoende aanbod van werkkrachten was);
- het bestaan van goedkope woongelegenheid (krotwoningen);
- onbeperkte vrijheid om te mogen venten binnen de gemeente, terwijl in
omliggende gemeenten een ventverbod bestond.
In 1931 werd de Rijkssteunregeling met betrekking tot werklozen, zoals deze tot 1924 gegolden had, weer ingevoerd. De regering verbond aan de rijksbijdrage stringente voorwaarden. Het aantal werklozen dat ondersteund diende te worden nam zo toe, dat de gemeente zich gedwongen zag tot deze regeling toe te treden. Aan de toetreding was een strikte regelgeving van het Rijk verbonden, waardoor de gemeente een groot deel van haar autonomie prijs gaf. In 1933 werd de Rijkssteun inzake Werklozen sterk ingekrompen. Door de crisissituatie liepen de andere inkomsten van de gemeente eveneens terug, waardoor de financiële positie van de gemeente slechter werd.

De lonen van de arbeiders daalden gelijdelijk. Het was voor hen niet meer mogelijk een redelijk loon te verdienen. Het gevolg was dat een staking van de arbeiders in het werkverschaffingsproject van de aanleg van het Twente-Rijnkanaal 4 maanden duurde. Het aantal werklozen nam in de oorlogsjaren af door de tewerkstelling in Duitsland.
De verbinding tussen de IJsseloevers vormde al eeuwen lang een zorg voor de stad. In 1937 besloot het Rijk dat er een verkeersbrug zou komen ter hoogte van de nog steeds bestaande Wilhelminabrug. De brug werd op 14 april 1943 voor het verkeer opengesteld. Bij de aftocht bliezen de Duitsers op 10 april 1945 de verkeersbrug op. In 1946 werd met het herstel begonnen. De officiële opening vond op 10 september 1948 plaats; op 11 september 1948 werd de Schipbrug na een lange reeks van jaren buiten werking gesteld.
Door de snelle ontwikkelingen in de medische wetenschap gaf de Gemeenteraad in 1911 toestemming voor het ontwerpen van een ziekenhuis. Gedeputeerde Staten keurden de bouwplannen in 1937 goed; in 1938 werd met de bouw begonnen en in september 1940 werd het in gebruik genomen.
In de oorlog vonden grote branden plaats als gevolg van bombardementen en luchtgevechten boven de stad. Vele ingezetenen kwamen hierbij om het leven. Vele zwaar beschadigde en niet meer te herstellen woningen en gebouwen moesten worden afgebroken. In 1945 was de woningvoorraad met circa 450 woningen verminderd, met als gevolg woningnood.

In het Rijsterborgherplantsoen en op verschillende andere plaatsen in de stad werden door de Duitsers loopgraven en stellingen aangelegd. Veel bomen werden door de Duitsers omgehakt voor verdedigingswerken of door de inwoners zelf, in verband met brandstoffennood. De gas- water- en electriciteitsleveringen werden door het gebrek aan kolen en materialen beperkt. Tijdens de bombardementen werd schade aangericht aan het leidingennet. De watertoren en de gebouwen van de energiebedrijven werden getroffen door granaatvuur.
Het onderwijs was in de oorlogsjaren ernstig verstoord. Veel schoolgebouwen waren gevorderd voor de legering van Duitse militairen. Ook de kolenschaarste verstoorde het lesgeven. Voor joodse leerlingen werd een afzonderlijke lagere school en Ulo school opgericht. Door de oorlogsomstandigheden, het gebrek aan schoolgebouwen ten gevolge van vordering en verwoesting en het ontbreken van behoorlijke verbindingen was het in het laatste jaar van de oorlog en direct daarna niet meer mogelijk les te geven. Een gedeelte van de scholen was in gebruik bij het Canadese leger. Schoolverzuim nam door gebrek aan kleding en schoeisel in de eerste tijd sterk toe. Toen kleding en schoeisel weer beschikbaar kwamen, werd het schoolverzuim geleidelijk minder.
Na de bevrijding werd de reinigingsdienst ingeschakeld bij het weer begaanbaar maken van de straten, die onder het puin en glas lagen. Ten gevolge van de oorlogshandelingen waren de gebouwen van de dienst aan de Hunneperkade zwaar beschadigd. Door gebrek aan materiaal en onderdelen konden de reparaties aan de auto's slechts met grote vertraging worden uitgevoerd.

Reeds voor de Tweede Wereldoorlog bestonden er plannen om de Nieuwe Haven een betere aansluiting te geven op het kanaal Deventer-Almelo. De Pothoofd-sluis verkeerde al geruime tijd in slechte staat en de capaciteit was gering. De commissie, die een rapport uitbracht, kwam tot de conclusie dat een sluis gebouwd moest worden ten zuiden en in de nabijheid van de bestaande voorhaven. Op het terrein waar de sluis was ontworpen hadden in de oorlog twee verwoeste bedrijven gestaan. De sluis werd met het kanaal Deventer-Almelo verbonden door middel van een kanaal naar de Snipperling. In het plan werd rekening gehouden met het verkeer dat over schutbruggen ter weerszijde van de sluis werd geleid. In 1947 werd met de werken aangevangen. De brug werd in augustus 1948 officieel geopend. De sluis en de havenwerken kwamen in de zomer van 1951 klaar. De bedrijven uit de binnenstad met oorlogsschade aan de gebouwen werden hiermee in staat gesteld naar het industrieterrein te verhuizen.
Na de oorlog werd door het rijksbureau voor de wederopbouw de oorlogsschade
opgenomen. Het bleek dat 5.264 panden lichte schade hadden opgelopen;
652 panden waren zwaar beschadigd en 516 panden waren verwoest.
In het najaar 1946 kwam het ontwerp wederopbouwplan gereed, ontworpen door de stedebouwkundige voor de wederopbouw van Deventer Ir. A. Kraayenhagen. Het plan werd pas op 2 mei 1950 vastgesteld.
In 1946 gaf het gemeentebestuur opdracht aan het rijksbureau wederopbouw een uitbreidingsplan te ontwerpen. De uitbreidingsplannen in onderdelen "De Venen", de huidige Rivierenwijk, en "Achter de Hoven" werden in 1949 vastgesteld. Deze plannen behelsden woningbouw.

Geschiedenis van het archief

Op 14 maart 1930 schrijft de gemeente-secretaris in een voorstel aan Burgemeester en Wethouders: "De tegenwoordige wijze van boeken en opbergen van de stukken berust op een verouderd stelsel. Dit stelsel van chronologische ordening met gebruikmaking van een alphabetische klapper werd in het begin van de vorige eeuw vrijwel algemeen bij de gemeente-administratie ingevoerd, zij het met enige variatie". Het oude stelsel voldeed niet meer aan de eisen des tijds. Ten eerste was de controle op de afdoening van de stukken voor de secretaris moeilijk na te gaan. Ten tweede kostte het terugzoeken van de stukken veel tijd en waren de stukken vaak niet te vinden. Ten derde bevonden bepaalde onderdelen van het archief zich op de kamer van de ambtenaren omdat men niet veel vertrouwen had in de archiefordening. Het bijhouden van de stelsels van ordening vergde veel tijd van de ambtenaren, het was verre van efficiënt, laat staan economisch te noemen. Een nadeel was dat in de dynamische fase van de archief ordening de stukken los in mappen werden opgeborgen. De losse stukken werden later tot jaargangen ingebonden. De vernietiging van stukken kon niet plaatsvinden omdat de voor vernietiging in aanmerking komende stukken na een aantal jaren uit de ingebonden delen verwijderd moesten worden. De ingebonden delen zouden daardoor uit elkaar vallen en opnieuw ingebonden moeten worden.
Op 1 mei 1930 werden het rubriekenstelsel en het chronologische stelsel afgesloten. Begonnen werd met de zaaksgewijze ordening voor de registratuur en de archiefordening. Ingevoerd werd het z.g. decimale registratuurstelsel van de Vereniging van Nederlandsche Gemeenten. Het nieuwe stelsel van ordening is beschreven in de "Archiefcode" waarin alle lokale overheidstaken vermeld staan.

Het nieuwe stelsel van ordening was gebaseerd op de zaaksgewijze ordening waarbij alle stukken over een zaak in een dossier bijeen gehouden werden. Dit stelsel van archiefvorming is toegepast op deze inventarisatieperiode. Een voordeel was dat de stukken die voor vernietiging in aanmerking kwamen makkelijk uit de dossiers verwijderd en vernietigd konden worden. In 1950 schreef de chef van de afdeling Registratuur en Archief dat voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende stukken geen tijd was. De personeelsbezetting liet niet toe hieraan enige tijd te besteden. De ontvangen post ging eerst naar de gemeente-secretaris. De stukken waren voorzien van een geleidebriefje. De Burgemeester en de Wethouders plaatsten een aantekening op het geleidebriefje over wat er met het stuk moest gebeuren (bijv. agenda B & W, aannemen voor kennisgeving, om advies naar een dienst enz. enz.). Hierna werden de stukken naar de burgemeester gezonden die daarmee accoord moest gaan. Ging hij accoord dan werden de stukken naar de gemeente-secretaris gezonden die voor accoord parafeerde en die de stukken terug naar de registratuur zond.
De ingekomen en uitgaande stukken werden geregistreerd met behulp van de fiche-doorschrijfmethode. Zowel het ingekomen stuk als het initiatief stuk kregen een eigen volgnummmer. Deze doorschrijfmethode bestond uit drie voorbedrukte bladen nl. een moederblad met daar achter twee gekleurde vellen die verscheurd konden worden tot bonnen. De bonnen werden opgeborgen, waarvan een serie op classificatienummer en een serie op chronologische volgorde. De moederbladen werden ingebonden en bewaard. De bonnen werden vernietigd wanneer de stukken waren afgehandeld en in het archief werden opgeborgen. Op de moederbladen werd de verandering van verblijfplaats van de stukken nauwkeurig bijgehouden aan wie het stuk werd toegezonden. Na afdoening van de stukken werd door de secretarie op het stuk "afgedaan" gezet.

De controle op de afdoening van de stukken verliep nogal problematisch. Op de staten met de niet afgedane stukken werden door de afdelingen of diensten aantekeningen geplaatst waarom een brief niet was afgedaan. Vaak kwamen de staten na herhaalde aanmaningen terug.
Met het oog op het naderend oorlogsgevaar zijn in 1939 op advies van de gemeentearchivaris maatregelen getroffen om de oudste archiefbescheiden en kunstschatten, elders onder te brengen.
De belangrijkste stukken van het archief van vóór 1800, o.a. alle cameraarsrekeningjen en magistraatresoluties, werden overgebracht naar de kluis van de Sallandsche Bank. De charters werden geplaatst in de kluis van de gemeenteontvanger. De doop-, trouw- en begraafboeken werden in de kluis van de afdeling Burgerlijke Stand bewaard. Toen in 1944 de werkelijke krijgshandelingen Deventer naderden, werden maatregelen genomen om de archiefkamer van de Sallandsche Bank nog beter te beschermen o.a. met behulp van eternietplaten en zandzakken. Na de bombardement van 28 oktober 1944 werden alle overige archivalia tot met de Franse tijd overgebracht naar de kelder onder de fabriek van Coeling in de Assenstraat.
De gemeentearchivaris heeft in 1945 een rapport uitgebracht over het beheer van de archieven, in verband met de wederopbouwplannen. In het gemeentehuis waren zowel het oud archief als het nieuw archief gehuisvest. In het rapport gaf hij een overzicht van de stand van zaken en hoe in de toekomst beter voor de archieven gezorgd kon worden. Zijns inziens waren er twee omstandigheden die een goed beheer van de archieven in de weg stonden. De eerste factor was het nijpende ruimtegebrek en de tweede factor was het gebrek aan personeel.

De gemeentearchivaris stelde het volgende aan Burgemeester en Wethouders voor:
1. Bij de wederopbouwplannen rekening te houden met een nieuw archiefgebouw eventueel in combinatie met de Stads- of Athenaeum Bibliotheek.
2. Een betere verzorging van de archieven van voor 1920 en een betere verdeling van de ruimte in het stadhuis.
3. Een post op de begroting te brengen voor een archiefambtenaar en een gecombineerde functie van archiefambtenaar en huisbewaarder.

Verantwoording van de inventarisatie

Met ingang van 1 mei 1930 is voor de registratuur en archiefvorming het decimale registratuurstelsel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ingevoerd. Besloten werd de archiefperiode daarvoor af te sluiten. Dat verklaart ook dat deze inventarisatie begint met het jaar 1930. Het jaar 1950 is vrij willekeurig gekozen als afsluiting van deze inventarisatie. De agenda's en notulen van de Gemeenteraad zijn van 1 september 1941 tot 26 november 1945 niet aanwezig net zo min als de agenda's en notulen van Burgmeester en Wethouders van 2 januari 1942 tot 15 september 1944. Hiervoor in de plaats zijn de beschikkingen van de Burgemeester gekomen. In die tijd waren de wethouders wel aanwezig bij de bespreking van de stukken, maar formeel waren zij niet in functie. Van 15 september 1944 tot 20 april 1945 zijn de beschikkingen van de waarnemend burgemeester niet opgemaakt. In 1984 is de afdeling Interne Zaken begonnen met het afscheiden van het archief over de periode 1930-1950. In 1990 is de splitsing voltooid, waarna het archief aan de Gemeentelijke Archiefdienst is overgedragen. In de achterliggende jaren waren al verschillende onderdelen van de secretarie overgedragen. Deze onderdelen waren niet geschoond, maar wel van een plaatsingslijst Voorzien. De archiefonderdelen van het archief hinderwetvergunningen, burgerlijke stand en bevolkingsregistratie zijn buiten de inventarisatie gehouden, omdat deze van zeer grote omvang zijn. Deze onderdelen worden als afzonderlijke bestanden beschouwd en geïnventariseerd. In de inventaris is een verwijzing gemaakt, hoe en waar deze zijn te raadplegen. Het archief was niet geselecteerd op te vernietigen stukken. Ongeveer 70% van het. totale archief is vernietigd. De verwachting was dat de archiefbescheiden uit de oorlogsperiode volledig bewaard moesten worden. Niets was minder waar, bij de selectie en vernietiging uit die periode bleek dat bijna geen belangrijke informatie over de oorlog werd gevonden.

De stukken van vóór 1930 zijn afgescheiden en teruggeplaatst naar het archiefbestand 1814-1930. Wanneer een relatie bestond met de archiefbescheiden van na 1930 dan zijn die in deze inventaris opgenomen. De vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende stukken is getoetst aan de Lijst voor de Gemeentelijke en Intergemeentelijke Organen van na 1850, vastgesteld in 1983. De voorstellen voor vernietiging hebben de goedkeuring gekregen van de administratie, afdeling Interne Zaken, en de gemeentearchivaris. Het College van Burgemeester en Wethouders verleende toestemming om de archiefbescheiden te vernietigen. Van de vernietiging van archiefstukken zijn procesverbalen opgemaakt.
De bevolkingsadministratie, en de "gezins- en woningkaarten" (1920-1939) , zijn niet aan de archiefdienst overgedragen. Op grond van de beschikking van 21 september 1970 van de Minister van C.R.M. is het College van Burgemeester
en Wethouders gemachtigd de overbrenging van de bevolkingsadministratie tot uiterlijk 2000 op te schorten. Van deze machtiging heeft men gebruik gemaakt omdat de kaarten nog regelmatig door de afdeling Burgerzaken worden geraadpleegd .
De archieven waren primair geordend op basis van de administratieve organisatie. De diensten en bedrijven en de vaste commissies van advies en bijstand hebben hun eigen archieven gevormd. De inventaris is in twee delen gesplitst, nl. de algemene en de bijzondere stukken. De algemene stukken bevatten hoofdzakelijk de beslissingen van de bestuurscolleges en de bijzondere stukken de uitvoering van de bestuursorganen. De stukken die gegevens bevatten over de oorlogsperiode zijn allemaal, uit praktisch oogpunt, achteraan in de inventaris geplaatst.

Geraadpleegde literatuur

1. Ach lieve tijd. 1000 jaar Deventer, de Deventenaren en hun rijke verleden. Zwolle 1989, 1990, 1991.
2. Deventer in 1931; haar nijverheid. Uitgave van het Departement Deventer van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel. Deventer z. j .
3. Anneke ter Koppel, Werkloosheid en Werkverschaffing 1928-1939 te Deventer. Ongepubliceerde scriptie M.O. Geschiedenis; aanwezig in de bibliotheek van het stadsarchief. Deventer 1986.
4. Deventer 1940-1945: Het begin, de donkere jaren, de bevrijding. Samengesteld onder redactie van K.H. Vos. Deventer 1985.
5. K. Vos, In memoram ir. CA. Doets, in Deventer Jaarboek 1993, blz. 68-74.
6. S. Zeylstra-Hiddema, Historische terugblik op de stedelijke organisatie van publieke werken in Deventer, Deventer. 1986.
7. W. Coenders en G. Lathouwers, Honderd jaar gas in Deventer, 1858-1958. Deventer. 1983.
8. B. van 't Hoff, Verslag over de toestand van het oud archief in de oorlogsjaren tot en met het jaar 1945, 1946. Inv. nr. 462.

Bijlagen

Bijlage 1: Uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen en de zetelverdeling over de partijen in de periode 1927-1950

Uitslag van de verkiezingen in procenten:
SDAP/ PvdA
1927 25,4
1931 29,9
1935 31,2
1939 29,8
1946 36,5
1949 37,1

RKSP/ KVP
1927 17,8
1931 16,5
1935 16,2
1939 17,2
1946 18,4
1949 19,3

Lib.Staatsp.
1927 13,5
1931 14,6
1935 12,8
1939 8,0
1946
1949

VDB/ VVD
1927 17,3
1931 12,6
1935 10,5
1939 16,8
1946 8,2
1949 14,3

CHU
1927 9,0
1931 6,8
1935 10,3
1939 8,1
1946 10,0
1949 5,2

CHU/AR
1927
1931
1935 2
1939
1946 2
1949

AR
1927 3,5
1931 3,8
1935
1939 3,9
1946
1949 5,8

CP
1927 3,5
1931 5,4
1935 4,2
1939 4,8
1946 26,9
1949 18,3

RSAP
1927 10,1
1931 10,5
1935 14,7
1939 11,5
1946
1949

(Bij de verkiezingen van 1935 en 1946 hadden de CHU en AR een gezamenlijke lijst).

De zetelverdeling in de Gemeenteraad is als volgt geweest:
SDAP/ PvdA
1927 6
1931 7
1935 8
1939 8
1946 10
1949 11

RKSP/ KVP
1927 4
1931 4
1935 4
1939 4
1946 5
1949 5

Lib.Staatsp.
1927 3
1931 4
1935 3
1939 2
1946
1949

VDB/ VVD
1927 4
1931 3
1935 3
1939 4
1946 2
1949 4

CHU
1927 2
1931 2
1935
1939 2
1946
1949 1

CHU/AR
1927
1931
1935 2
1939
1946 2
1949

AR
1927 1
1931 1
1935
1939 1
1946
1949 1

CP
1927 1
1931 1
1935 1
1939 1
1946 8
1949 5

RSAP
1927 2
1931 3
1935 4
1939 3
1946
1949

Totaal aantal zetels
1927 23
1931 25
1935 25
1939 25
1946 27
1949 27

Bijlage 2: Overzicht van de benoemingen en ontslag van burgemeesters over de periode 1929-1950

Naam / Datum benoeming / Datum ontslag

Mr. F.W.R. Wttewaal. 28 januari 1929 - 11 oktober 1944 (16 april 1945 - 20 juni 1945)
H. van der Molen (N.S.B.). 18 september 1944 - april 1945
Militair gezag. 10 april 1945 - augustus 1945
Ir. C.A. Doets. 20 juni 1945 - 20 juni 1946
Mr. H.W. Bloemers. 20 juni 1946 - 1 april 1957

Bijlage 3: Overzicht van de benoemingen van wethouders over de periode 1929-1950

7 september 1927
A. Kelderman (VDB)
T. Saunders-Blauwboer (SDAP)
J. Krooshof (SDAP)
A.J. Schoemaker (RKSP)

4 juni 1929
Th.H. Beerents (SDAP)

1 september 1931
A. Kelderman (VDB)
A.J. Schoemaker (RKSP)
Th. H. Beerents (SDAP)
G.H. Hakeboom (SDAP)

3 september 1935
A. Kelderman (VDB)
Th.H. Beerents (SDAP)
G.H. Hakeboom (SDAP)
Joh. Buiting (RKSP)

5 september 1939
A. Kelderman (VDB)
Th. H. Beerens (SDAP)
G.H. Hakeboom (SDAP)
Joh. Buiting (SDAP)

20 juli 1945
Benoemd door Commissaris van de Koningin
J.Th.L. Rozendaal
S.H. van Groningen

26 november 1945
Wethouders benoemd door de Tijdelijke Raad
Th. H. Beerems
J.Th.L. Rozendaal
A.Y. Tulp

19 februari 1946
A.J. Bauling

28 oktober 1946
Th.H. Beerents (PvdA)
A.Y. Tulp (PvdA)
J.H. von Piekartz (KVP)
M. Ditzel (CPN)

6 september 1949
Th.H. Beerents (PvdA)
J.H. von Piekartz (KVP)
K. Hölzel (PvdA)
J. Krooshof (WD)

De raadsleden in 1945 en in 1946 tot aan de verkiezingen in oktober 1946
zijn niet gekozen, daarom zijn de partijen achter de naam van de wethouders
niet genoemd.

Bijlage 4: Overzicht van de benoemingen van gemeenteraadsleden over de periode 1931-1950

De namen met een datum betreft tussentijdse benoemingen

Verkiezingen 17 juni 1931.

F. Adelaar
H.A.Ankersmit Jr
H.J. Ankersmit
A.H. Bakker
Th.H. Beerents
J. Bloemendal
H. Bontsema, 28 februari 1933
H. Brouwer
J. v. Bruggen
C.C.A. van Druijten geb. Burger, 15 maart 1935
A. Eekhuis
E.J. Eggink
Ch. van Enter, 22 juli 1931
A.J. Gerritsen
C. van Giesen
G.H. Hakeboom
B.F. Hilberint
E.C.C. Houck, 19 december 1933
A. Kelderman
H.J. Kerkhof
J. Kip Nzn, 16 augustus 1932
J. Maatman, 13 juni 1933
H.R. Mulder
S. Myerson
J.H.E. Roebers
A. Romeijn, 16 mei 1933
A.J. Schoemaker
A. Starrevelt
J. Straver
H. Timmmerman
T. Vierstra
H. van der Wal

Verkiezingen 17 juni 1935
F. Adelaar
J. Berends 22 januari 1937
A.H. Bakker
Th.H. Beerents
J. Bloemendal
H. Bontsema
J. van Bruggen
J. Buiting
C.C.A. Druijten van, geb. Burger
A. Eekhuis
E.J. Eggink
G. Frederiks
W.F. Flint 4 april 1936
A.J. Gerards
A.J. Gerritsen
G.H. Hakeboom
M.C. Heessels
B.F. Hilberink
E.C.C. Houck, 29 november 1938
A. Kelderman
H.J. Kerkhof
J. van der Meulen, 9 maart 1937
H.R. Mulder
S. Mijerson
J.W.A.E.M. Peters, 20 december 1938
J.H.E. Roebers
J.F. Scherpenhuizen
H. Timmerman
T. Vierstra
H. van der Wal

Verkiezingen. 15 juni 1939

A.H. Bakker
Th.H. Beerents
J. Bloemendal
P. Bosma
J. Buiting
C.C.A. van Drijten geb.Burger
E.J. Eggink
W.F. Flint
A.J. Gerards
A.J. Gerritsen
G.H. Hakeboom
B.F. Hilbrink
G. Inklaar
A. Jansen
A. Kelderman
H.J. Kerkhof
J. Krooshof 26 november 1940
J. van der Meuien
J. Montagne
H.R. Mulder
C. van Oeffelen
J.H.E. Roebers
J. Straver
H. Timmerman
T. Vierstra
H. van der Wal


Verkiezingen leden van de Tijdelijke Raad 17 oktober 1945

A.L. Bauling
Th.H. Beerents
H. Beldman
B.O.H. Bomers
A. van Daalen
P. van Delden Szn.
J. Dubbe
B. Gerritsen
K. Hengstman
K. Hölzel
G. Inklaar
J. Krooshof
J.W.A.E.M. Peters
P.J. Piebenga
J.H. von Piekartz
Mevr. H. Priester, geb. Veldwijk
J.Th.L. Rozendaal
L.C. Savelkoel.
B.J.S. Stegeman
F.X.C. van Swaay
H. Timmer
A.Y.Tulp
T. Vierstra
J.C. Visser
H. van der Wal
M. Wiltink
J.M.J. Zandscholten


Verkiezingen 3 oktober 1946

A.L. Bauling
Th.H. Beerents
H. Beldman
A. Bent
J. Bloot
S.U. de Boer 14 juni 1949
G.J. Bosman
J. Buiting
L.J. Feijen, geb. Suerink 17 oktober 1947
A. Van Daalen

M. Ditzel
G. Hamer
K. Hengstman
K. Hötzel
G. Inklaar
A.J. Kaal 12 maart 1949
H.J. Kerkhof 2 oktober 1947
S.G. Klunk
T. Kobes
J. Konijnenberg 23 juni 1949
J. Krooshof
J. Oosterbroek
J.H. von Piekartz
A. Poelder 12 maart 1949?
H. Priester geb. Veldwijk
J.Th.L. Rozendaal
H.R.E. Rijpma, geb. Velleman
F. Schuurman
A.J. Slinkman
H.J. Stok
H. Timmer 8 september 1947
A.Y. Tulp
T. Vierstra
H. van der Wal
J.M.J. Zandscholten 9 december 1948

Verkiezingen 20 juni 1949

A.L. Bauling
Th.H. Beerents
H. Beldman
T. Jager 28 maart 1950
G.J. Bosman
M. Ditzel
Mevr. M.L. van Drooge geb. Pelsmaekers
E.J. Eggink
Mevr. L.J. Feyen, geb. Suerink
Mej. C. Hendriks
K. Hengstman
K. Hölzel
J. Klavers
S.G. Klunk
J. Krooshof
H.R. Mulder
J.H. von Piekartz
M. Pothoven 9 september 1950
Mevr. H. Priester, geb. Veldwijk
Mevr. H.R.E. Rijpma, geb. Velleman
F. Schuurman
A.J. Slinkman
H. Timmer
A.Y. Tulp
T. Vierstra
Mej. T. van Weperen
J.M.G.M. van der Weijden
M. Wiltink
J.M.J. Zandscholten

Keywords

Subjects:

Algemeen bestuur en Politiek
1 - 3 / 3
  • 1
1382 - 1. Stukken van algemene aard
1382 - 2. Administratieve organisatie
1382 - 3. Taken