Netherlands > Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen

1006

Gemeente Loenersloot, (1811) 1818-1964 (1965)

drs. W.F.M. Ahoud
2021
Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen
Nederlands

General remarks

#guid

34DBC62D8574420E9955BDEF8A4C058D

Datering

(1811) 1818-1964 (1965)

Datering toegang

1994

Omvang in meters

19,24

Openbaarheid

Beperkt openbaar: geboorten na 100 jaar, huwelijken en echtscheidingen na 75 jaar, overlijden na 50 jaar

Soort toegang

Inventaris

Hoofdrubriek

02. Gerechts- en gemeente-archieven

Subrubriek

07.02 Politiek, bestuur en administratie

Gemeente

Stichtse Vecht

Plaatsnaam

Loenersloot

Archiefbewaarplaats

Breukelen

Herkomst

Wet

Avg

Namen van wellicht nog levende personen zijn in deze inventaris afgeschermd in verband met de AVG

Other descriptive information

Bestuur

Periode tot 1798

Het territorium van de latere gemeente Loenersloot komt voor een groot deel overeen met het gezamenlijke grondgebied van de voormalige gerechten Loenersloot, Oukoop en Ter Aa. Van deze niet onderling aaneengesloten gerechten was Loenersloot het meest noordelijk gesitueerd en grensde het in het noorden aan Baambrugge, in het westen aan Vinkeveen en Waverveen, in het zuiden aan Loenen en in het oosten aan Vreeland.
Ten zuid-westen van Loenersloot lag het gerecht Oukoop dat qua afmeting de grootste van de drie gerechten was. Het werd in het noord-oosten begrensd door Baambrugge, in het oosten door Loenen en in het noord-westen en westen door Vinkeveen en Waverveen en in het zuiden door Ruwiel.
Even ten zuiden van Oukoop lag -gescheiden door een smalle strook grondgebied van Ruwiel- het gerecht Ter Aa (Loenerslootsgedeelte), dat in het westen grensde aan Vinkeveen maar voor de rest geheel door Ruwiel werd omsloten.
Vanouds vormden de drie gerechten te zamen de ambachtsheerlijkheid van Loenersloot, Oukoop en Ter Aa, welke tot het jaar 1258 nog vrij eigen goed was, maar tussen 1258 en 1382 leenroerig aan Gelre en vanaf laatstgenoemd jaar leenroerig aan de bisschop, respectievelijk de Staten van Utrecht was. Wanneer de koppeling van deze gerechten tot één enkel gerecht tot stand is gekomen is niet bekend. Te dien opzichte geven ons alleen enkele opeenvolgende omschrijvingen van de beleningen van het huis en hofstede te Loenersloot de aanwijzing dat een combinatie der gerechten reeds in de Middeleeuwen moet hebben plaatsgehad.

In 1406 wordt gesproken van een erve, gelegen tussen Stevens brugge en Oudercoep zydewinde, dat heer Splinter van Loenresloet plach toe te behoren, alsmede het gerecht, tijns en tienden gelegen in Oudecoep. [NOTE A.J. Maris; Repertorium op de Stichtse leenprotocollen uit het landsheerlijke tijdvak. I. De Nederstichtse leenacten, 1394- 1581 ('s-Gravenhage 1956), 205, 206. ] Een omschrijving uit 1434 luidt: het huis te Loenersloot met 30 morgen land gelegen tussen Stevens brugge en Oldecoper zydewyn; item het gericht van Oudencoep met tijns en tienden, grof en smal; en met de visserij. In 1476 wordt het leen omschreven als: het huis en hofstede tot Lonresloet met het land gelegen tussen Stevens brugge en Oudecoeper Zuytwynde, met het dagelijks gerecht van Lonresloet, van Oucoep en van der Ae; met tijns, tienden, zwanendrift, visserijen en [achterleen mannen].
Tot in het jaar 1435 was deze ambachtsheerlijkheid in handen van leden van het geslacht Van Loenersloot. Daarna volgden leden van de geslachten Van Zwieten (periode 1435-1516), Van Amstel van Mijnden (periode 1516-1707), Van Stepraedt (periode 1707-1744), Van Doornik (periode 1744-1767), Van Hoorn (periode 1767-1772), Strick van Linschoten (periode 1772-1844) en Martini Buys (vanaf 1844). [NOTE Voor uitgebreide informatie omtrent de eigenaren van deze heerlijkheid kan worden verwezen naar E.B.F.F. Wittert van Hoogland; 'Bijdragen tot de geschiedenis der Utrechtsche ridderhofsteden en heerlijkheden: XVII. Loenersloot, Oucoop en Ter Aa', in: Genealogische en heraldische bladen 3 (1908), 134-144, 433- 450. Aldaar (p. 140) wordt de combinatie van de drie gerechten eerst in het jaar 1426 vermeld.]

Tot in de zestiende eeuw werd in de gerechten Loenersloot, Oukoop en Ter Aa de lokale rechtsmacht volgens het zgn. buur- of burenrecht uitgeoefend. Aan de rechtspraak konden in beginsel alle geërfden ('landgenoten', 'buren') van het dorp onder voorzitterschap van een schout deelnemen. Zoals in de meeste kleine plaatsen elders gold hier de eenvoudige lage rechtspraak (jurisdictie), dat niet verder reikte dan de behandeling van boetstraffelijke en civiele kwesties, alsmede de taak om op rechtsgeldige wijze rechtshandelingen tussen derden vast te leggen (bv. testamenten, openbare verkopingen, overdrachten en hypothecatie van (on) roerend goed). Daarnaast had het rechtscollege zekere bestuurlijke bevoegdheden die echter minder op de voorgrond traden dan de gerechtelijke taken, zodat het niet verwonderlijk is dat deze plattelands gemeenschappen met de term 'gerecht' werden aangeduid.
De bestuurlijke en gerechtelijke organisatie van de drie gerechten onderging in het jaar 1532 een belangrijke verandering toen naar aanleiding van een verzoek van de ambachtsheer Melis van Amstel van Mijnden aan keizer Karel V de laatste in diens hoedanigheid van erfheer der landen van Utrecht op 24 maart van dat jaar de ambachtsheer, zijn leenvolgers en nakomelingen octrooieerde tot de vervanging van het buurrecht door het schepenrecht.

Het probleem van de buurrechtspraak was namelijk dat de 'buren' geen eed hoefden af te leggen en dat deze in de onderhavige gerechten zich bovendien regelmatig schuldig maakten aan lange drinkgelagen en andere 'ongeregeltheyd van Justitie'.
Om aan de bestaande misstanden een einde te maken verkreeg de ambachtsheer het recht om naast de schout als voorzitter een college van vijf beëdigde schepenen aan de stellen, waarvan jaarlijks afwisselend twee of drie leden door nieuwe moesten worden vervangen. [NOTE *J. van de Water; Groot placaatboek, vervattende alle de placaten, ordonnantien en edicten der edele mogende heeren Staten 's lands van Utrecht, mitsgaders van de edele groot achtbare heeren borgemeesteren en vroedschap der stad Utrecht tot het jaar 1728 ingesloten. II (Utrecht 1729), 1192-1193. ] De keuze van deze schepenen mocht alleen op de 'verstandigsten' uit de bedoelde gerechten vallen. Door de geringe populatie van ieder der gerechten -in 1748 bevonden zich hier in totaal 54 woningen [NOTE Hedendaagsche historie of tegenwoordige staat der verenigde Nederlanden. 12: Vervolgende de beschrijving van de provincie van Utrecht (Amsterdam 1772), 142.] -is het te begrijpen dat vaak jaren achtereen dezelfde personen tot de schepenfunctie werden geroepen. Evenals het vroegere burengerecht was het schepengerecht uitsluitend competent in boetstraffelijke zaken en de civiele en vrijwillige rechtspraak.

De schout werd beschouwd als de plaatsvervanger en vertegenwoordiger van de ambachtsheer, terwijl de schepenen als de vertegenwoordigers van de hele dorpsgemeenschap werden gezien. Naast de gerechtelijke taken had het schepencollege tevens bestuurlijke bevoegdheden, waardoor het niet alleen als rechtscollege maar ook als bestuursorgaan moet worden beschouwd. Tot dit laatste werkterrein behoorde tijdens het ancien regime met name de belastinginning (door de schout in diens functie van gadermeester), hetwelk qua omvang ook blijkt uit de schriftelijke neerslag in dit archief.
De samenstelling van het college van schout en schepenen heeft gedurende het tijdvak 1532-1798 geen aantoonbare veranderingen ondergaan. De ambachtsheer benoemde de schout; de laatste nomineerde de schepenen en nam de verkozenen de eed af.
Het college hield geen vaste zittingen maar kwam bijeen zodra er zaken dienden te worden geregeld. Bovendien bestond er een voorschrift tot het houden van vier open rechtsdagen per jaar, wanneer naast reguliere bestuurlijke kwesties tevens aan partijen de mogelijkheid tot het wederzijds procederen werd geboden.

Periode 1798-1811

Als gevolg van de Bataafse revolutie van 1795 en de komst van de Fransen kwam er een einde aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. In de geest van de beloofde 'Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap' brak met de Bataafse Republiek een nieuwe tijd aan die werd gekenmerkt door een reeks van opeenvolgende staatsregelingen die ook voor de plattelandsbesturen ingrijpende consequenties hebben gehad. De ingezetenen van de gerechten bezaten volgens de revolutionaire gedachte de soevereiniteit waaraan het recht werd ontleend om eigen representanten te verkiezen, in plaats van de benoeming door bij voorbeeld de ambachtsheer. Uit diezelfde soevereiniteit vloeide derhalve de bevoegdheid voort om zich met andere gerechten te combineren of zich in delen te splitsen. [NOTE W.A.G. Perks; 'Geschiedenis van de gemeentegrenzen in de provincie Utrecht van 1795 tot 1940', in: Provinciale almanak voor Utrecht 34 (1962), Mengelwerk, 8.]
Op nationaal niveau werd het tijdvak 1795-1798 gekenmerkt door de strijd tussen Unitarissen, die de eenheid en ondeelbaarheid van de staat voorstonden, en de Federalisten die de vroegere soevereiniteitsrechten en privileges van de gerechten beijverden. Na de staatsgreep van 1798 (waarbij de Unitarische visie won) werd vastgelegd dat de gerechtsbesturen administratieve lichamen zouden zijn, ondergeschikt en verantwoordelijk aan het Uitvoerend Bewind. Tegen deze achtergrond was het mogelijk om nieuwe combinaties van gerechten te formeren, met het doel om het bestuur te vereenvoudigen en de administratie te vergemakkelijken. [NOTE W.A.G. Perks; t.a.p., 9.]

In het geval van Loenersloot, Oukoop en Ter Aa kwam het in 1798 tot een splitsing, waarbij de eerste twee samen met Abcoude-Bossetsgerecht werden gecombineerd tot de gemeente Abcoude-Baambrugge. Ter Aa werd samengevoegd met het aangrenzende (Nieuwer) Ter Aa (Ruwielsgedeelte). [NOTE W.A.G. Perks; t.a.p., 21, 22.]
Een uitvloeisel van de nieuwe wetgeving was dat de nieuwe gerechten-combinaties in het vervolg 'gemeenten' werden genoemd. De schout en schepenen, als vertegenwoordigers van het oude regime, werden op last van het Intermediair Administratief Bestuur uit hun functies gezet en vervangen door een gemeentebestuur waarin de nieuwe ambtsdragers municipaliteitsleden of municipaliteiten werden genoemd en haar voorzitter het president-bestuurslid. Bovendien waren inmiddels de heerlijke rechten van de ambachtsheren afgeschaft.
Tegelijk met de vervanging van de oude lokale gezagsdragers werden maatregelen getroffen met betrekking tot een strengere scheiding van de bestuurstaken en rechterlijke bevoegdheden. Deze leidden er toe dat vanaf 1811 de gemeente alleen nog als bestuursorgaan bleef functioneren.
Doordat de bestuurlijke herindeling van 1798 in het hele land tot een administratieve chaos leidde, is bij de in 1801 uitgevaardigde staatsregeling bepaald dat de plaatselijke besturen hun onafhankelijkheid van bestuur en eigen wetgeving herkregen en dat zij t.a.v. hun eigen huishouding van alle toezicht en hogere goedkeuring werden vrijgesteld.

Eerst in de loop van het jaar 1802 werd dit besluit geëffectueerd en werd de bestuurlijke organisatie van Loenersloot, Oukoop en Ter Aa van vóór de Bataafse omwenteling nieuw leven ingeblazen, zodat ook de oude schout en schepenen -voor zover nog in leven en geïnteresseerd- in hun posten werden hersteld.
De Bataafse Republiek moest in 1806 plaats maken voor het koninkrijk Holland onder Napoleons broer koning Lodewijk Napoleon. In 1810 werd dit rijk echter ingelijfd bij het Franse keizerrijk, teneinde nog beter in de Franse machtspolitiek te kunnen worden ingeschakeld. Ingevolge een op 16 maart 1810 gesloten tractaat tussen Napoleon en zijn voornoemde broer kwam eerst het ten zuiden van de Waal gelegen gedeelte van ons land rechtstreeks onder de keizer, terwijl in juli van dat jaar de rest van Nederland volgde.
Het gevolg hiervan was dat hier te lande per ingang van 1 januari 1811 de Franse bestuursorganisatie werd ingevoerd, waardoor de eerder gememoreerde scheiding tussen de plaatselijke rechterlijke macht en het administratief bestuur definitief een feit werd. Aan het hoofd van het gemeentelijk bestuur kwam een 'maire' te staan. In Loenersloot, Oukoop en Ter Aa betrof dit de voormalige schout, maar binnen het jaar werd hij waarschijnlijk nog vervangen door maires voor Loenersloot en Ter Aa afzonderlijk. [NOTE Vgl. in dit verband de registers van de burgerlijke stand uit 1811, waarvan voor de gemeenten Loenersloot en Ter Aa aparte registraties bestaan en welke werden bijgehouden door verschillende (provisionele) maires.]
De maire werd bijgestaan door een 'adjoint' en een 'conseil municipale' (municipale raad).

Periode 1812-1818

De verzelfstandiging van Loenersloot, Oukoop en Ter Aa werd in 1812 weer teniet gedaan door een nieuwe samenvoeging. Dit maal werden zij met Loenen en Nieuwersluis (= Loenen Stichts), (Nieuwer) Ter Aa, Loenen-Kronenburgsgerecht (= Loenen Hollands) en Mijnden gecombineerd tot de gemeente Loenen. [NOTE Vgl. F.E. Brouwer; Inventarissen van de archieven van de gemeente Loenen (1547) 1595-1943 (1956) (Loenen a.d. Vecht 1993), 19; die de samenvoeging op het jaar 1811 en de afscheiding vervolgens op 1815 stelt. W.A.G. Perks; t.a.p., 15, 45; noemt tevens Breukelerwaard als onderdeel van deze combinatie, hetwelk waarschijnlijk onjuist is.]
Deze combinatie heeft slechts een zestal jaren bestaan doordat in 1816 een provinciale regeling voor de plattelandsgemeenten tot stand is gekomen, waardoor met ingang van het jaar 1818 een autonome gemeente Loenersloot is gevormd, bestaande uit de drie voormalige onderdelen van het gerecht Loenersloot, Oukoop en Ter Aa. [NOTE W.A.G. Perks; t.a.p., 13.]
Het bestuur van de nieuwe gemeente Loenersloot werd opgedragen aan de schout (vanaf 1825 'burgemeester' genaamd) [NOTE De functie van schout had thans een geheel andere inhoud dan die vóór 1798 en was meer te vergelijken met die van de tegenwoordige burgemeester.] en de gemeenteraad, die tot aan de inwerkingtreding van de gemeentewet van 1851 steeds uit vier leden zou bestaan.

De schriftelijke neerslag van de bestuurshandelingen kwam onder de verantwoordelijkheid van de gemeentesecretaris. Deze functie werd in Loenersloot meestentijds door de fungerende burgemeester bekleed. Verder stelde de regeling van 1816 dat het hoofd van het plaatselijk bestuur (de schout) zou worden bijgestaan door een tweetal assessoren, gekozen uit de raad en in die hoedanigheid door de provinciale staten benoemd. De raadsleden werden eveneens door de staten benoemd; en wel uit de 'vroedste en gegoedste ingezetenen'. [NOTE M.J.A.V. Kocken; Van stads- en plattelandsbestuur naar gemeentebestuur. Proeve van een geschiedenis van ontstaan en ontwikkeling van het Nederlandse gemeentebestuur tot en met de gemeentewet van 1851 ('s-Gravenhage 1973), 275.]
Bij het gedeeltelijk herstel van de oude heerlijke rechten werd het de ambachtsheren en -vrouwen toegestaan om deze bestuurders d.m.v. een dubbeltallige nominatie voor te dragen. Of van dit recht door de ambachtsheren van Loenersloot, Oukoop en Ter Aa gebruik is gemaakt, is door het ontbreken van de correspondentie uit de eerste helft van de negentiende eeuw uit dit archief helaas niet meer na te gaan.

Periode 1818-1851

Het provinciaal reglement van 1816 werd in 1825 vervangen door een landelijk reglement op het plattelandsbestuur. Hierbij werd de eeuwenoude betiteling van schout binnen het gemeentelijk bestel afgeschaft om definitief plaats te maken voor die van burgemeester. Het gemeentebestuur bleef onveranderd bestaan uit de burgemeester, twee assessoren en de gemeenteraad, maar doordat de bemoeienis van de raad met de zaken van het dagelijks bestuur kwam te vervallen was de feitelijke bestuursmacht vrijwel geheel in handen van het college van burgemeester en assessoren.
Tot 1828 bestond het grondgebied van de gemeente Loenersloot uit drie delen, die geheel los van elkaar waren gelegen. Omdat dit in strijd was met de wet van 5-2-1818 en artikel 77 der Methodieke verzamelingen, kwam na lange onderhandelingen een grondruil met Loenen en Ruwiel tot stand, waardoor Loenersloot weliswaar uit een geheel ging bestaan, maar zich daardoor wel uitermatig grillige grensverlopen moest laten welgevallen. [NOTE W.A.G. Perks; t.a.p., 17]

Omdat Loenersloot ondanks de bovengenoemde grensverbeteringen qua inwonertal een van de kleinste Utrechtse gemeenten bleef (haar bevolking bestond in 1849 uit 310 personen [NOTE W.A.G. Perks; t.a.p., 80] , lag het voor de hand dat deze plaats regelmatig werd genoemd in verband met gemeentelijke herindelingsplannen van de provinciale overheid. In 1829 deed gedeputeerde staten van Utrecht het voorstel om Breukelerwaard, Nieuwer Ter Aa, (de gemeente) Portengen-Noordeinde, Loenersloot, Oukoop en Ter Aa samen met Ruwiel in een nieuwe gemeente te laten opgaan. [NOTE Provinciaal blad (1829), nr. 56. vgl. W.A.G. Perks; t.a.p., 45, 51 en 74.] Doch om onbekende redenen kreeg het geen vervolg, evenals soortgelijke plannen uit 1849, waarbij het ging om een samenvoeging van Loenen, Loenersloot-Oukoop-Ter Aa, Nigtevecht, Vreeland en Ruwiel; en 1851, toen gedeputeerde staten de gemeentebesturen van Loenen en Loenersloot polste voor een eventuele vereniging van beide.

Periode vanaf 1851

Het reglement van 1825 bleef tot aan de invoering van de gemeentewet van 1851 van kracht. [NOTE Wet van 29-6-1851; Staatsblad 1851, nr. 85.] Eerst dan kwam het steeds bestaan hebbende onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten te vervallen en werd de organisatie van alle gemeentebesturen in Nederland uniform geregeld. De gemeentewet telde een drietal bestuursorganen, nl. de gemeenteraad, de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders (de wethouders zijn dus te beschouwen als de opvolgers van de assessoren). De gemeenteraad werd aangewezen als het hoogste bestuursorgaan, met het bezit van alle bevoegdheden welke niet bij de gemeente- of enige andere wet aan de burgemeester en wethouders waren opgedragen.
De raad was zelfstandig in het regelen van de gemeentelijke belangen, zoals het maken van verordeningen en de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente.
Het dagelijks bestuur bleef als voorheen in handen van het college van burgemeester en wethouders. De burgemeester behield het voorzitterschap van het algemeen bestuur (raad) en van het dagelijks bestuur (college). Daarnaast kreeg hij onder meer een speciale taak ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Het college werd terzijde gestaan door de gemeentesecretaris en diens ambtelijk apparaat, de secretarie.
De burgemeester werd door de koning (Kroon) voor perioden van 6 jaar benoemd. De raad benoemde de secretaris en de gemeente-ontvanger en werd op haar beurt weer rechtstreeks gekozen uit en door de stemgerechtigde inwoners van de gemeente. Dit kiesrecht was beperkt tot mannen en afhankelijk gesteld van de belastingsom die in de direkte belastingen -de zgn. census- werd betaald.

De bestuursverhouding die bij de gemeentewet van 1851 in het leven is geroepen is in essentie tot op de dag van vandaag van kracht gebleven. Belangrijk is, dat het kiesrecht in de loop van de negentiende eeuw is verruimd door het aanpassen van de census. De grondwet van 1887 bepaalde namelijk dat ook zij die 'tekenen van maatschappelijke welstand en geschiktheid' vertoonden, het kiesrecht verkregen. [NOTE Grondwet 1887, art. 80.]
In de kieswet van 1896 werd de census aanzienlijk verlaagd, [NOTE Kieswet van 7-9-1896; Staatsblad 1896, nr. 154. ] waarna de grondwet van 1917 het algemeen mannenkiesrecht en het actief kiesrecht voor vrouwen bracht en de grondwetsherziening van 1922 uiteindelijk het algemeen passief en actief kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen.
Ook na 1851 heeft Loenersloot enkele malen te maken gehad met reorganisatieplannen ten aanzien van haar territorium. Van 1853 dateert een voorstel van gedeputeerde staten om Loenersloot en Loenen bijeen te voegen. De inwoners van Loenersloot waren hier echter fel tegen gekant en beriepen zich op historische gronden om hun zelfstandigheid te behouden. [NOTE W.A.G. Perks; t.a.p., 46.]
Anders lag de situatie in 1882, toen de ingezetenen van Loenersloot op grond van een steeds meer toenemende belangenverstrengeling met de buurgemeente Ruwiel wensten te worden verenigd. Beide gemeenten bezaten geen officieel gemeentehuis. Loenersloot hield haar vergaderingen al sedert onheuglijke tijden in een kamer van een logement aan de Portengensebrug, dat vanouds het 'Tregthuis' werd genoemd, terwijl Ruwiel tot dusverre haar vergaderruimte had in een kamer van een herberg aan dezelfde Porten gensebrug. Deze lokalen waren in strijd met art. 3 nr. 2 van de wet tot regeling van de kleinhandel in sterke drank.

Beide gemeenten deelden al geruime tijd één en dezelfde burgemeester, secretaris en veldwachter. Kerkelijk waren beide gemeenten grotendeels één onder de hervormde gemeente van Ter Aa. Bovendien waren er in de voorafgaande jaren nogal wat gemeenschappelijke regelingen tot stand gekomen. De lagere school stond in Ter Aa en was van Ruwiel, maar Loenersloot droeg voor een deel in de kosten bij omdat zij de meeste leerlingen leverde, vooral uit de buurschap Oukoop. De brandbestrijding was gemeenschappelijk geregeld op basis van een gelijk aandeel in de kosten. De begraafplaats lag in het Ruwielse Ter Aa, maar Loenersloot droeg voor 12,5% in de kosten bij. Verder bestond er ook een gemeenschappelijke regeling voor de bekostiging van een onderkomen voor lijders aan besmettelijke ziekten, waartoe Loenersloot ca. 43% van de kosten voor haar rekening nam.
Het merkwaardigste voorbeeld van beider belangenverstrengeling vormde evenwel de gemeentegrens die dwars door het dorp Ter Aa liep, zodat deze plaats voor ca. 35% tot de gemeente Loenersloot en voor ca. 65% tot de gemeente Ruwiel behoorde. Dit had tot gevolg dat bij voorbeeld de kerk onder Ruwiel stond maar de pastorie onder Loenersloot. De exacte gemeentegrens binnen het dorp Ter Aa stond overigens niet vast omdat er tussen de processen-verbaal van grensbepaling der gemeenten Ruwiel (van 1818) en Loenersloot (van 1832) , alsmede de kadastrale legger van laatstgenoemde gemeente van datzelfde jaar enige verschillen moeten hebben bestaan. [NOTE Nieuw archief Loenersloot, inv. nr. 404. Zowel de kadastrale legger van Loenersloot uit 1832 als het proces-verbaal van grensbepaling der gemeente Ruwiel uit 1818 ontbreken in de archieven van beide gemeenten]

Het plan tot vereniging van Loenersloot en Ruwiel werd vooral door de laatste gemeente toegejuigd. Zelfs in die mate, dat haar raad al druk heeft zitten filosoferen over de naam van de nieuw te combineren gemeente. [NOTE Nieuw archief Ruwiel (gemeentebestuur), inv. nr. 438.] De gedachten gingen daarbij uit naar de namen gemeente Ruwiel en Loenersloot, Ter Aa en Nieuwer Ter Aa. De laatste twee opties benadrukten de gemeenschappelijke centrumfunctie van dit dorp, dat tevens de belangrijkste woonkern van beide gemeenten vormde. De toevoeging van 'Nieuwer' was van belang om verwarring te voorkomen met het Zuid-Hollandse dorp Ter Aar. Bovendien gebruikte men de naam Nieuwer Ter Aa soms al om het onderscheid aan te geven met de buurt Oud Aa onder Breukelerwaard.
Ondanks de vele steekhoudende argumenten voor een vereniging van de gemeenten Loenersloot en Ruwiel is alles bij het oude gebleven en duurde het tot 1 april 1964 eer Loenersloot in het kader van de gemeentelijke herindeling van de Vechtstreek voor het grootste gedeelte is opgegaan in de gemeente Breukelen en daardoor definitief als zelfstandige gemeente heeft opgehouden te bestaan. Alleen het grondgebied en het eigenlijke dorp Loenersloot en de noord-oostelijke hoek van het grondgebied van Oukoop, ten oosten van rijksweg 2, zijn op laatstgenoemde datum overgegaan in de gemeente Loenen.

Dorpskom van Nieuwer Ter Aa

Met grensscheiding tussen het gedeelte behorende tot de gemeente Loenersloot (ten zuiden van de Kerklaan en ten westen van het midden van de rivieren de Angstel en de Aa) en het gedeelte behorende tot de gemeente Ruwiel.

Archief

Het gemeenteverslag over het jaar 1852 meldt ten aanzien van het archief dat ter regeling hiervan een ruimere en beter ingerichte kast was aangeschaft. [NOTE Nieuw archief Loenersloot, inv. nr. 32.] Mogelijk betrof dit de kast die ten huize van de toenmalige wethouder Jan Koekenbier stond opgesteld en uit twee gedeelten bestond, nl. een bovenkast met vier planken waarin het archief vanaf 1818 stond opgetast en een onderkastje waarin op twee planken het oud-rechterlijk archief en het oudbestuurlijk archief waren geplaatst. Uit verschillende in dit jaar opgestelde inventarissen blijkt dat de archieven toen nog redelijk compleet aanwezig waren. Een officieel gemeentehuis bezat Loenersloot in die tijd nog niet, maar uit diverse stukken in het oud-archief blijkt dat reeds in de zeventiende eeuw de bijeenkomsten van het bestuur werden gehouden in het 'regthuis', waarmee waarschijnlijk hetzelfde pand wordt bedoeld als het logement aan de Portengensebrug waar de raad tot 1883 haar vergaderingen in een kamer heeft gehouden en welke vanouds het 'regthuis' werd genoemd. Ook de gemeente Ruwiel ontbrak het aan een geschikt onderkomen omdat zij haar vergaderingen belegde in een kamer van de herberg aan dezelfde Portengensebrug. De plannen tot een combinatie van beide gemeenten in de jaren 1881-1883 omvatten tevens de aanwijzing en inrichting van een eigen gemeentehuis, waarbij de raad van Ruwiel het oog liet vallen op het oude schoollokaal in het dorp (Nieuwer) Ter Aa. Omdat elders een nieuwe school zou worden gebouwd was het oude gebouw een gunstig object; te meer omdat deze precies op de grens met de gemeente Loenersloot stond.

De kosten van de aanpassing van de inrichting der oude school waren door Rijwiel nauwelijks alleen te betalen, zodat al spoedig werd gedacht aan een opdeling van dit gebouw, waardoor ook de gemeente Loenersloot hierin haar gemeentehuis kon vestigen. Het gevolg was dat Loenersloot aan de inrichtingskosten van het oude schoollokaal meebetaalde en in het vervolg als huurster de haar toegemeten ruimte als gemeentehuis ging gebruiken. Kort na 5-10-1883 werd het Loenerslootse archief naar dit gebouw in Ter Aa overgebracht, waarna op 29-2-1884 de eerste raadsvergadering in het nieuwe gemeentehuis kon worden gehouden. [NOTE Nieuw archief Loenersloot, inv. nr. 4.] De definitieve behuizing van het archief had tot gevolg dat na vijf jaar het oud-archief der gemeente door R. Fruin Th. Azn., commieschartermeester bij het Rijksarchief in Utrecht, kon worden geïnventariseerd. [NOTE Deze inventaris kwam in januari 1889 gereed en is gepubliceerd in: Verslag omtrent oude gemeente-, waterschaps- en veenderij-archieven in de provincie Utrecht over 1896 (Utrecht 1898), bijlage 23, 201-205.] Hoe het met de archieven vanaf 1818 verliep is binnen de ruimte van dit onderzoek niet aan het licht gekomen. Opvallend is het feit dat verreweg de meeste stukken van vóór ca. 1851 thans niet meer aanwezig zijn. Te vrezen valt dat hier sprake is van een moedwillige archiefvernietiging op grond van het denkbeeld dat de stukken uit de oudste periode van de gemeente niet meer van administratief belang waren en derhalve konden worden geruimd. Na de opheffing van de gemeente in 1964 is het Loenerslootse archief naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Breukelen overgebracht. Uit de bewaard gebleven correspondentie uit die tijd is niets gebleken omtrent de lacune in dit archief; hetwelk ook valt te begrijpen omdat van het archief van na 1817 nog geen inventaris bestond.

Inventarisatie

Bij de inventarisatie van een archief moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van de oude ordening van de stukken. Van een oorspronkelijke ordening was bij de aanvang van de inventarisatie-werkzaamheden echter nauwelijks meer sprake. Blijkens een rapport van de Provinciaal Inspecteur der archieven in Utrecht uit 1988 was in dat jaar geconstateerd dat de archieven van Ruwiel en Loenersloot zich in een wanordelijke toestand bevonden en ongescheiden werden bewaard. Van de in 1896 door Fruin gepubliceerde inventarissen bleken volgens gemeld rapport van beider archieven tezamen liefst 51 nummers onvindbaar.
De eerste taak van deze inventarisatie was derhalve om alle verspreid liggende stukken bijeen te plaatsen en ze vervolgens binnen de afzonderlijke afdelingen te herordenen. Bij de bepaling van de volgorde der stukken van vóór en na 1811 is hoofdzakelijk uitgegaan van de organisatie en taken van de respectievelijke archiefvormende instanties (gerecht, gemeente, commissies en de ambtenaar van de burgerlijke stand).
De oudste afdeling betreft het bestuurlijk archief [NOTE De stukken behorende tot de gerechtelijke taken van het gerecht (het rechterlijk archief) zijn waarschijnlijk in de loop van de jaren '80 van de negentiende eeuw aan het Rijksarchief in Utrecht overgedragen. ] van de gerechten (of: het gerecht) Loenersloot, Oukoop en Ter Aa, waarvan het oudste stuk, een rekening met omslag van het hinderdams- en Vechtgeld, uit 1663 dateert en het jongste stuk een rekening en smaldeling van het zeedijksgeld uit het jaar 1813 betreft. Dit archief loopt echter feitelijk tot het jaar 1811 (of 1812) [NOTE F.E. Brouwer; t.a.p., 19.] , toen de gerechten onderdeel gingen uitmaken van de gecombineerde gemeente van Loenen.

Omwille van de overzichtelijkheid is afgezien van de mogelijkheid om cesuren bij de jaren 1798 en 1802 te leggen, binnen welke periode de gerechten waren opgesplitst en met andere gerechten tot 'gemeenten waren gecombineerd' .
Uit de periode 1812-1817 bevinden zich vrijwel geen archiefstukken van Loenersloot, Oukoop en Ter Aa in dit archief daar deze plaatsen toen met Loenen waren verenigd. In dit verband kan worden verwezen naar de inventaris van het archief van de gecombineerde gemeente Loenen 1811-1817. [NOTE F.E. Brouwer; t.a.p., 55-57.] Het archief vanaf 1818 -gewoonlijk het nieuw archief genaamd-, is voornamelijk opgebouwd rond een aantal langlopende series, zoals de notulen van de raad en het college van burgemeester en wethouders, de correspondentie, begrotingen en rekeningen. Opvallend is daarbij dat het archief uit de periode ca. 1818-1851 grotendeels ontbreekt. De inventarissen die in 1852 van de archiefbescheiden zijn opgemaakt in verband met de overdracht van deze stukken, tonen tot in detail aan welke bescheiden thans niet meer aanwezig zijn. Een overzicht van de op de gemeentelijke administratie betrekking hebbende ontbrekende archiefstukken is opgenomen in bijlage IV achter deze inventaris.
In de periode 1818-1940 heeft men ten aanzien van de correspondentie verschillende ordeningssystemen gehanteerd.

Waarschijnlijk [NOTE De correspondentie uit deze periode ontbreekt.] heeft men gedurende het tijdvak 1818-1842 de inkomende stukken zuiver chronologisch en zonder nadere toegang geborgen. Tussen 1843 en 1852 heeft men de stukken volgens het agendastelsel geordend, [NOTE Men spreekt van een agendastelsel indien de stukken worden gegroepeerd volgens de nummers waaronder zij in de agenda zijn ingeboekt.] mogelijk in de variant die tussen 1853 en 1862 werd aangetroffen, nl. die alfabetisch op (subjectief en inconsequent gehanteerde) trefwoorden. De alfabetische agendering is in 1863 verlaten en vervangen door de gewone agendering.

Omdat de correspondentie in brede zin werd opgevat heeft men bijna alle (afschriften, minuten van) in- en uitgaande stukken uit de periode 1853-1915 bij elkaar laten inbinden, waardoor ook onderdelen van andere seriebestanden hierin terecht zijn gekomen. Voorbeelden daarvan zijn de gemeenteverslagen, begrotingen en landbouwverslagen. Maar ook openbare bekendmakingen en op verschillende terreinen betrekking hebbende invulstaten uit een groot aantal jaren zijn in deze correspondentie-serie meegebonden.
Om het probleem van de gemengde serievorming te ondervangen zijn in de inventaris kruisverwijzingen en blinde nummers opgenomen. Voor de periode 1921-1940 was een dergelijke handelwijze niet nodig omdat er dan sprake is van gescheiden bewaarde series.
In 1941 is men ten aanzien van de correspondentie van de chronologische naar de zaaksgewijze ordeningsmethode overgestapt. De grondslag voor deze methode vormde de zgn. basis archiefcode van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (code VNG). Omdat dit dossierbestand (periode 1941-1964 (1965)) als één geheel wordt beschouwd naast de andere algemene en bijzondere series, is het code-archief in het archiefschema direkt achter de algemene series gevoegd. Deze werkwijze sluit aan bij recente opvattingen omtrent de inpassing van dossierbestanden in een archief inventaris. [NOTE A.J.M. den Teuling; Archiefbeheer in de praktijk [Hoofdstuk 4510, 41-48]]

Van de series aanvragen van bouw- en hinderwetvergunningen zijn uit de oudste perioden specificaties opgenomen in de bij lagen I en II. In bijlage III worden volgens de classificatie-indeling de op het code-archief van Loenersloot betrekking hebbende hoofd- en onderrubrieken vermeld, waardoor deze kan worden beschouwd als een aanvulling op de inhoudsopgave onder de titel 'Dossiers'. In bijlage V ontbreekt een naamlijst van de schepenen van het gerecht Loenersloot, Oukoop en Ter Aa. Weliswaar leveren de oudere bronnen vele namen van schepenen op, maar doordat de desbetreffende stukken veelal mede zijn ondertekend door een buurmeester en een of meerdere geërfden, is het lang niet altijd duidelijk wie in welke hoedanigheid optrad. Met het oog op het gevaar van onjuiste identificaties is het derhalve wijselijker bevonden om van de uitwerking van een naamlijst van schepenen af te zien.
Door de fragmentarische aanwezigheid van bronnen uit de periode 1818-1851 was het evenmin mogelijk om van de raadsleden en assessoren uit dat tijdvak een compleet beeld te verkrijgen. De naamlijsten starten daarom respectievelijk in 1850 en 1851.
Een concordans op de door Fruin in 1889 vervaardigde inventaris van het zgn. oud-archief der gemeente is achter de bijlagen in de inventaris opgenomen.
Ten aanzien van de vernietiging van archiefstukken kan worden opgemerkt dat de meest hiervoor in aanmerking komende stukken (vanaf 1851), zoals de bevelschriften van betaling (mandaten), de bijbehorende nota's en een groot deel van de boekhouding, voor vernietiging in aanmerking kwamen en daarom bij deze inventarisatie van het archief zijn afgescheiden. Daarbij dient te worden opgemerkt dat met name de mandaten en nota's van een groot aantal jaren noodzakelijkerwijs dienden te worden bewaard omdat deze zijn ingebonden bij de te bewaren stukken.
Van het oorspronkelijke archief, ter lengte van 24,5 m' is na schoning 22 m' overgebleven.

Aanwijzingen voor het citeren van de archieven

De verschillende afdelingen binnen het archief van de voormalige gemeente Loenersloot zijn onderverdeeld in een 'oud archief', namelijk dat van het gerecht, en een 'nieuw archief', waartoe de archieven van het gemeentebestuur, de ambtenaar van de burgerlijke stand en die van de onderscheidene gemeentelijke bedrijven worden gerekend. Het oud archief en het nieuw archief kennen beide een nummering die met het getal 1 begint. Bij het citeren van de bronnen dient naast het inventarisnummer dus ook te worden aangegeven of deze betrekking heeft op het oud archief dan wel het nieuw archief. Eventueel kan tussen haakjes de naam van het betreffende archief worden gepreciseerd. Voorbeelden:
- Oud archief Loenersloot (gerecht Loenersloot, Oukoop, Ter Aa), inv. nr.
- Nieuw archief Loenersloot (gemeentebestuur), inv. nr. ...

Keywords

Subjects:

Algemeen bestuur en Politiek