Netherlands > Westfries Archief

1558

Ambacht van Westfriesland genaamd De Vier Noorder Koggen, college van hoofdingelanden van West-Friesland (Vier Noorder Koggen) en de NV Lokaal Spoorweg Maatschappij 'Hollands Noorderkwartier'

(1296) 1523-1973
P. Schevenhoven (1996)
2017
Westfries Archief
Nederlands

Physical description

59,25 m

General remarks

Beschrijving

met archiefbescheiden van het college van hoofdingelanden van West-Friesland (Vier Noorder Koggen) en de NV Lokaal Spoorweg Maatschappij 'Hollands Noorderkwartier'

Datering

(1296) 1523-1973

Plaats

West-Friesland

Soort archief

Overheid

Openbaar

Ja

Other descriptive information

Geschiedenis van de organisatie

Geschiedenis van het ambacht

Van de Middeleeuwen tot de invoering van het bijzonder reglement van bestuur

Het ambacht van Westfriesland, genaamd de Vier Noorder Koggen, in de Middeleeuwen meestal aangeduid als Hoogwouder- of Houtwouderambacht, vormde één van de vier ambachten waarin West-Friesland vanouds was ingedeeld. Deze indeling bestond reeds aan het eind van de dertiende eeuw, toen West-Friesland door de Hollandse graaf Floris V veroverd werd. Samen met het ambacht Drechterland vormde het Hoogwouderambacht na de Hollandse verovering het baljuwschap van Medemblik, terwijl de beide andere Westfriese ambachten (Geestmerambacht en het ambacht van de Schager en Niedorper Koggen) onder het baljuwschap Kennemerland ressorteerden. De Westfriese ambachten waren verdeeld in koggen, die elk een aantal dorpen of bannen omvatten.

Het laaggelegen land van West-Friesland, voornamelijk bestaande uit tamelijk recent ontgonnen veengrond, werd door dijken beschermd tegen hoge vloeden. Sinds het midden van de dertiende eeuw vormden diverse dijken een aaneengesloten ring om West-Friesland, die bekend stond als de Westfriese Omringdijk. Anders dan tegenwoordig lag al het land nog boven de zeespiegel en kon de afwatering van het land op de zee en op de binnenmeren (Beemster, Schermer, Heerhugowaard) op natuurlijke wijze plaatsvinden. De techniek van bemaling werd pas sinds de vijftiende eeuw toegepast, toen het land door de voortdurende inklinking van het veen zo laag kwam te liggen dat afwatering op natuurlijke wijze steeds moeilijker werd. De dijken, lage dijken van wier en aarde, waren bedoeld als laatste barriëre tegen hoge vloeden en lagen niet direct aan het water. Onder normale omstandigheden scheidde een aanzienlijke hoeveelheid "voorland" de dijken van de zee. Zowel de Zuiderzee als de grote binnenmeren namen in de late Middeleeuwen steeds meer in omvang toe, ten koste van het voorland. Als het voorland bijna verdwenen was en de zee onder normale omstandigheden bijna tot aan de dijk kwam, werd een nieuwe dijk aangelegd, een "inlaagdijk" die verder landinwaarts gelegen was. Tot in de zestiende eeuw is op deze wijze veel land verloren gegaan.

Het onderhoud van de dijken was een taak van de dorpen, die ieder een gedeelte van de dijk onderhielden en over dit dijkgedeelte het bestuur uitoefenden, onder het oppertoezicht van de landsheer. De graaf kon deze bevoegdheid overdragen aan zijn baljuw. Kort na de onderwerping van West-Friesland hebben de Hollandse graven heemraden aangesteld, om samen met de baljuw en een door de baljuw aangestelde dijkgraaf toezicht over de dijken te houden. Baljuw of dijkgraaf vorderden recht, de heemraden traden op als rechters, waarna de baljuw of de dijkgraaf zorgden voor de uitvoering van de vonnissen. Daarnaast konden baljuw, dijkgraaf en heemraden keuren of verordeningen met betrekking tot het dijkbeheer maken.

De Vier Noorder Koggen en Drechterland, die samen het Oosterbaljuwschap van Medemblik vormden, hadden elk hun eigen college van heemraden, bestaande uit vier leden, één uit elke kogge.

Baljuw, dijkgraaf en heemraden hadden een toezichthoudende taak. Het dagelijks beheer van de dijk was toevertrouwd aan de waarschappen, vertegenwoordigers van de dorpen. Ook de waarschappen mochten, samen met de dijkgraaf of met dijkgraaf en heemraden keuren maken. De vergadering van waarschappen met de dijkgraaf, de waarschappij, besliste over de algemene belangen van het ambacht.

In 1402 werden door de graaf van Holland enkele bepalingen ten aanzien van het bestuur van het Hoogwouderambacht vastgesteld.

De wijze van verkiezing van heemraden werd geregeld, evenals de schouw van dijken, sluizen, sluistochten, dijkgrachten, wateringen en wegen. Tevens werd bepaald dat er binnen het baljuwschap van Medemblik slechts één dijkgraaf zou zijn en werd het op straffe van een boete verboden zich te verzetten tegen een vonnis van de heemraden.

Toen in 1414 aan alle dorpen in het baljuwschap van Medemblik stadsrechten werden verleend en de betrekking van baljuw werd opgeheven, werd de kastelein (= beheerder van het kasteel) van Medemblik dijkgraaf van de ambachten Drechterland en de Vier Noorder Koggen. Het voormalig Oosterbaljuwschap van Medemblik heette voortaan Oosterdijkgraafschap van Friesland. In 1503 werd dit dijkgraafschap gesplitst, waarbij de kastelein van Medemblik zijn dijkgraafschap beperkt zag tot de Vier Noorder Koggen terwijl Drechterland zijn eigen dijkgraaf kreeg.

Aan het eind van de vijftiende eeuw bleek de zeedijk van de Vier Noorder Koggen zo verwaarloosd te zijn, dat het landsheerlijk gezag ingreep. In de jaren 1478-1510 werden diverse ordonnanties uitgevaardigd, die echter zonder effect bleven, met uitzondering van de instelling van een superintendentie, een soort oppertoezicht op het beheer van de zeedijk door afgevaardigden van de steden Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Hoorn, Medemblik en Enkhuizen.

In de loop van de zestiende eeuw zijn aan het bestuur van dijkgraaf, heemraden en waarschappen nog dijkshoofdlieden, koggemeesters, molenmeesters en oud-waarschappen toegevoegd.

Deze functionarissen waren belast met het dagelijks beheer van de door het ambacht te onderhouden werken en met het dagelijks bestuur van het ambacht. Anders dan in het ambacht Drechterland, waar de waarschappen verantwoordelijk bleven voor het onderhoud van het dijkgedeelte dat hun dorp moest onderhouden, ging deze taak in de Vier Noorder Koggen over op de dijkshoofdlieden, vier in getal, één uit elke kogge. De koggemeesters, vier in getal, waren belast met de zorg voor de koggewerken (gebouwen, bruggen, sluizen, sloten en wegen) terwijl de molenmeesters, ook vier in getal, de zorg hadden voor het onderhoud van de molens en van enige molensloten met de daarover liggende bruggen. De vier oud-waarschappen vormden het dagelijks bestuur van het ambacht, in het bijzonder belast met het beheer van de financiën.

In het begin van de zestiende eeuw was het land door inklinking van het veen zo laag komen te liggen, dat afwatering op natuurlijke wijze niet langer mogelijk was. De in de vijftiende eeuw geïntroduceerde techniek van bemaling door windmolens met schepraderen, die het water opmaalden en vervolgens op zee of op als boezem dienende binnenwateren uitsloegen, bood een oplossing voor dit probleem.

Nadat buiten de Vier Noorder Koggen reeds diverse dorpen hun eigen watermolens hadden geplaatst, ontstond een geschil tussen de dorpen Benningbroek en Midwoud enerzijds, en de stad Medemblik en de overige dorpen van het ambacht anderzijds over de plaatsing van molens door de twee eerstgenoemde dorpen. Op 21 april 1537 werd door tussenkomst van gecommitteerden van het Hof van Holland een regeling tot stand gebracht, de Molenakte van de Vier Noorder Koggen. Volgens de Molenakte zouden de Vier Noorder Koggen in gemeenschappelijke bemaling verenigd blijven.

Hiertoe zouden molens worden geplaatst en werden regelingen met betrekking tot het malen van de molens opgesteld. Afscheiding van dorpen, verplaatsing en vermeerdering van het aantal molens bleven echter onderwerp van discussie en konden tot geschillen leiden. In 1541 stelden gecommitteerden van het Hof van Holland een schikking vast waarbij het gebied ten westen van de Gouw onder Hoogwoud, Aartswoud en Opmeer tot een afzonderlijke polder werd gemaakt, de latere Binnenpolder. In 1546 ontstond een geschil tussen de verschillende dorpen over de oprichting van molens, waarop het Hof van Holland in 1547 de stichting van vier nieuwe molens, het leggen van sluizen en verruiming van watertochten gelastte. De "kleine Molenakte" van 1552 regelde verplaatsing van molens naar de zeedijk en het graven van nieuwe tochten. Hoewel zich in de daaropvolgende eeuwen nog vele geschillen voordeden tussen de "hoge" en de "lage" landen binnen de Vier Noorder Koggen, bleef de molengemeenschap gehandhaafd en werd de Molenakte van 1537 pas in 1819 door een nieuwe Molenakte vervangen.

De verdeling van het onderhoud van de Westfriese Omringdijk tussen de vier ambachten van West-Friesland, de zogenaamde verstoeling, was in de veertiende eeuw nader geregeld en sinds 1339 niet meer gewijzigd. Door veranderde omstandigheden werd deze verstoeling in de jaren na 1630 door Drechterland en de Vier Noorder Koggen als onrechtvaardig ervaren. Afslijting van het buitendijkse land had de Drechterlandse dijk meer en meer zijn bescherming ontnomen. De zeedijk van de Vier Noorder Koggen was altijd al kostbaar in onderhoud geweestukkenDaarentegen hadden de bedijking van de Zijpe en de Wieringerwaard de dijken van Geestmerambacht en de Schagerkogge bijna geheel tot "slaper" (= binnendijk) gemaakt, en had de droogmaking van de Beemster, de Schermer en de Heerhugowaard het onderhoud van de WaligSdijk en de Huigendijk verlicht. In 1637 vroegen Drechterland en de Vier Noorder Koggen aan de Staten van Holland om herstoeling van de dijk. De Staten verwezen de zaak door naar de Hoge Raad in Holland en zo begon een langdurig proces, het "Groot Proces" tussen Drechterland en de Vier Noorder Koggen aan de ene zijde en Geestmerambacht en de Schager en Niedorper Koggen aan de andere zijde.

In 1648 wees de Hoge Raad de eis van Drechterland en de Vier Noorder Koggen in beginsel toe; er zou een generale herstoeling worden gedaan, in evenredigheid van "grootte, macht en last" van elk ambacht. Op 4 juni 1650 deed de Hoge Raad een voorlopige uitspraak. De Westfriese Omringdijk moest voortaan als een gemene dijk door de vier ambachten worden onderhouden. Hierbij zou Drechterland 35%, de Vier Noorder Koggen 28%, Geestmerambacht 20%, de Schagerkogge 8% en de Niedorper Kogge 9% van de kosten dragen. Om de uitvoering van dit vonnis en een behoorlijk toezicht op de werken te verzekeren, werd op 30 juli 1650 een college van hoofdingelanden van de Westfriese Omringdijk ingesteld, bestaande uit negen hoofdingelanden, waarvan twee uit de Vier Noorder Koggen. De hoofdingelanden moesten bij de beschouwing en beraming van de werken aanwezig zijn, ten overstaan van hen moest de besteding van werken plaatsvinden en zij werden met de afschouw van de uitgevoerde werken belastukkenTevens moesten zij de dijkrekeningen van de afzonderlijke ambachten onderzoeken en de verrekening van de kosten tussen de ambachten vaststellen.

Na 1650 is de Westfriese Omringdijk tot 1921 voor gemene rekening van de ambachten onderhouden. Het "Groot Proces" duurde nog jaren voort, maar het beginsel van gemeenmaking bleef gehandhaafd. Bij de sententie van 24 maart 1657 werden de quota van de ambachten gewijzigd, waarbij bepaald werd dat van hetgeen een ambacht meer uitgaf dan zijn vastgestelde percentage 1/5 voor eigen rekening zou blijven. Nadat de vier ambachten nog jaren hadden geprobeerd aan te tonen dat hun aandeel in de dijkkosten te hoog was, dat hun oppervlakte in werkelijkheid kleiner was dan werd aangenomen en dat de huurwaarde van hun landerijen steeds geringer werd, deed de Hoge Raad op 12 oktober 1695 een einduitspraak. Voortaan zou Drechterland 37,5 procent van de kosten dragen, de Vier Noorder Koggen 30,5 procent, Geestmerambacht 15 procent en de Schager en Niedorper Koggen 14 procent. De in 1657 vastgestelde korting met 1/5 van het "overgedijkte" bleef gehandhaafd.

Tot 1921 bleef deze kostenverdeling bestaan. Wel ontstond aan het eind van de achttiende eeuw nog een langdurig geschil over de vraag of ook de buitengewone kosten van herstel van de dijken na de stormen van 1775 en 1776 volgens de in 1695 vastgestelde verdeling of "morgenmorgensgelijk" moesten worden omgeslagen, maar de verdeling van de gewone onderhoudskosten werd niet meer ter discussie gesteld.

Een ernstige bedreiging voor de dijken was de paalworm, die de houten "krebbingen" waarmee de uit wier bestaande voorkant van de dijk tegen het zeewater werd beschermd, aantastte. In 1731 en 1732 bleek een groot deel van de houten paalwerken langs de Westfriese zeedijken verrot te zijn. Om de dijken tegen de golfslag te beschermen, besloot men de houten krebbingen of paalwerken te vervangen door stenen glooiingen. Het aanbrengen van stenen glooiingen langs de gehele zeedijk was zeer kostbaar en betekende een grote financiële belasting voor de ingelanden van de Westfriese ambachten.

De Bataafse Omwenteling van 1795 ging niet ongemerkt aan de Vier Noorder Koggen voorbij. Vóór 1795 werden heemraden, dijkshoofdlieden, koggemeesters, molenmeesters, de twee hoofdingelanden van West-Friesland vanwege het ambacht en vertegenwoordigers van het ambacht in het bestuur van de Hondsbossche jaarlijks in het begin van de maand mei door de waarschappen gekozen, terwijl de oud-waarsmannen bij dezelfde gelegenheid door de superintendenten van de Vier Noorder Koggen-zeedijk werden aangesteld. De dijkgraaf werd-voor het leven-benoemd door de Staten van Holland en West-Friesland.

In 1795 kwam een einde aan de superintendentie van de steden Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik. De oudwaarsmannen werden in mei van dat jaar ook door de waarschappij verkozen. Het jaar daarop werden alle bestuurders die voorheen door de waarschappij (of door de superintendenten) waren aangesteld in een vergadering van twaalf "kiezers" (= door de ingelanden gekozen kiesmannen) gekozen. Dijkgraaf Pieter Spaander, die weigerde de op deze wijze verkozen bestuursleden te beëdigen, werd kort daarop door het Provinciaal Comité van Holland ontslagen; niet wegens zijn weigering om de nieuw verkozen bestuursleden te beëdigen, maar wegens zijn weigering om ten overstaan van de municipaliteit van Medemblik een loyaliteitsverklaring af te leggen, die het provinciaal bestuur verplicht had gesteld voor functionarissen die niet hun stemrecht in "wettig opgeroepen Grond- of Wykvergaderingen" hadden uitgeoefend. Ook zijn opvolger werd door twaalf "kiezers" namens de ingelanden van het ambacht gekozen.

Hoewel de wijze van verkiezing van bestuursleden in de jaren na 1795 de nodige wijzigingen onderging, bleef de inrichting van het bestuur ongewijzigd. In 1804 werd een reglement van bestuur vastgesteld dat de traditionele samenstelling van het bestuur van het ambacht bestendigde en aan het departementaal bestuur van Holland grote invloed op de benoeming van de bestuursleden gaf. In 1822 werd bij Koninklijk Besluit vastgesteld dat bestuursleden die belast waren met het beheer van zeewaterkerende werken door de Koning moesten worden benoemd. Dit betekende dat de dijkgraaf, de heemraden, de oudwaarsmannen en de dijkshoofdlieden werden benoemd door de Koning, uit een voordracht van drie kandidaten, opgemaakt door de waarschappij.

Kogge- en molenmeesters werden direct benoemd door de waarschappij. De waarschappen, achttien in getal, werden door de plaatselijke- of polderbesturen (vanaf 1859: banbesturen) voor iedere vergadering opnieuw benoemd.

In augustus 1816 wezen de waarschappen van Midwoud en Twisk op het feit dat de Molenakte van 1537, die het ambacht in één bemalingsgemeenschap verenigde, slecht werd nageleefd. In de "hoge" landen waren dammen, duikers en molens geplaatstukkenDe eigenaars van de "lage" landen wilden dat de bepalingen van de Molenakte, volgens welke dergelijke praktijken verboden waren, werden nageleefd. Eigenaars van hoge landen waren van mening dat de Molenakte niet langer viel te handhaven. Zij wensten een scheiding tussen "hoog" en "laag", ieder met een eigen bemaling.

Op 4 november 1819 besloten Gedeputeerde Staten van NoordHolland de Molenakte van 1537 te vervangen door een Akte van voortdurende gemeenschap der landerijen, gelegen in het ambacht der Vier Noorder Koggen. Volgens deze akte bleven de Vier Noorder Koggen een gemeenschappelijke bemaling houden, maar bepaalde hoge landen onder Spanbroek, Wognum en Sijbekarspel mochten worden afgekaad en mochten bij uitdroging water uit de Ringsloot inlaten. Daarnaast zouden de lage landen buiten de Zomerdijk onder Wognum, Wadway en Spanbroek een afzonderlijke bemaling mogen hebben, evenals de ten zuiden van Wognum gelegen Leekerlanden. Verder bleef het afzonderlijk omdijken van landerijen en het uitmalen van water op de gemene boezem van het ambacht verboden.

In 1833 werd een Akte van overeenkomst wegens de gemeenschappelijke uitwatering van de verschillende polders in de Vier Noorder Koggen vastgesteld, waarin de bepalingen van de Akte van 1819 werden gehandhaafd en nader uitgebreid.

De akten van 1819 en 1833 betekenden nog geen oplossing voor de bestaande belangentegenstellingen. De problemen tussen "hoog" en "laag" binnen het ambacht, die vanaf het begin van de zestiende eeuw hadden bestaan, werden grotendeels opgelost in 1851, toen de vrijheid van afzonderlijke afpoldering en uitmaling op de gemene boezem door middel van een keur geregeld werd. Toch zou de tegenstelling in de jaren '80 en '90 van de negentiende eeuw weer optreden in discussies over de vraag of de bemaling van het ambacht versterkt moest worden.

Naast de zorg voor het onderhoud van de zeedijk en voor waterstand en bemaling binnen het ambacht, kregen de Vier Noorder Koggen er in de negentiende eeuw nog een taak bij. In oktober 1836 stelde dijkgraaf P. Pont aan de waarschappen voor om een commissie te benoemen ten einde te onderzoeken in hoeverre men de wegen in het ambacht zou kunnen verbeteren, iets waarmee men in Drechterland door de aanleg van macadam- of puinwegen al een eind gevorderd was. Door verbetering van de wegen, die de helft van het jaar onbruikbaar voor rijtuigen waren, zou het algemeen belang van het ambacht bevorderd worden.

De waarschappen gingen met het voorstel van de dijkgraaf accoord en in de volgende vergadering werd een rapport uitgebracht, waarin een voorkeur voor straatwegen boven macadamwegen werd uitgesproken. Een beslissing werd aangehouden en pas nadat in 1840 wederom een rapport was uitgebracht, besloot de waarschappij op 12 mei 1841 een aantal straatwegen aan te leggen.

Deze beslissing was niet unaniem. Sommige gemeentebesturen waren -om financiële redenen- tegen het plan. In maart 1842 deelden Gedeputeerde Staten mee het plan niet goed te keuren. De waarschappij had zich een belang aangetrokken dat niet tot haar taken behoorde en was niet gerechtigd daarvoor buitengewone omslagen te heffen indien sommige gemeentebesturen daar tegen waren.

Toch kwamen de gewenste wegverbeteringen tot stand. In mei 1844 stelde Klaas Zijp, burgemeester van Midwoud en Oostwoud, aan de dijkgraaf voor dat het ambacht alle buitenwegen, d.w.z. buiten de dorpen gelegen wegen in beheer zou nemen, net zoals dat in 1843 met de weg van Wognum naar de Zwaagdijk was gebeurd. Nadat een in oktober 1845 gevormde commissie een lijst van door het ambacht te onderhouden buitenwegen had opgemaakt en een plan voor de aanleg van straatwegen had opgesteld, werden in oktober 1847 de voorwaarden waarop de buitenwegen in beheer zouden worden genomen vastgesteld, evenals een definitieve lijst van buitenwegen en een bestratingsplan. De plaatselijke besturen, die het beheer over de binnen de dorpen gelegen wegen behielden, zouden gelijktijdig tot bestrating van deze dorpswegen overgaan. De kosten van verbetering en onderhoud van wegen werden voldaan uit een nieuwe omslag, het "weggeld".

De invoering van het Algemeen Reglement van bestuur voor de waterschappen in Noord-Holland in 1854 werd gevolgd door invoering van bijzondere reglementen van bestuur voor de afzonderlijke waterschappen. Nadat eerst de bannen gereglementeerd waren (1859), waarbij het bestuur van de banne als plaatselijk waterschap geheel gescheiden werd van het bestuur van de gemeente, werd ook het ambacht voorzien van een bijzonder reglement van bestuur. De invoering van dit reglement, dat op 1 januari 1865 in werking trad, betekende een duidelijke breuk met de sinds de late Middeleeuwen bestaande traditie volgens welke het ambacht enkele eeuwen was bestuurd.

Van de invoering van het bijzonder reglement van bestuur tot de opheffing van het ambacht

Na de invoering van het bijzonder reglement van bestuur op 1 januari 1865 werd het ambacht bestuurd door een dijkgraaf en acht heemraden, tezamen het dagelijks bestuur vormend, en achttien hoofdingelanden. Dijkgraaf en heemraden werden benoemd door de Koning, uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door het college van hoofdingelanden, waarbij in acht genomen moest worden dat uit iedere kogge twee heemraden zitting hadden in het dagelijks bestuur. De hoofdingelanden werden rechtstreeks gekozen door de stemgerechtigde ingelanden van hun banne, waarbij de banne Hoogwoud en Aartswoud en de banne Wognum en Wadway ieder twee hoofdingelanden kozen, de overige bannen ieder één.

De enige officiële betekenis van de koggen bestond uit het feit dat er bij de benoeming van heemraden rekening mee gehouden moest worden dat er uit ieder kogge twee heemraden zitting hadden in het dagelijks bestuur. De bannen waren sinds 1859 gereglementeerde waterschappen, wier taak bestond uit de waterstaatstaak die in het verleden bij de plaatselijke besturen berustte: omslaan en innen van de lasten van het ambacht, zorg voor wegen en voetpaden, schoonhouden van sloten en onderhoud van sommige waterkeringen.

In de taken van het ambacht was door de invoering van het bijzonder reglement van bestuur geen verandering gekomen: een aandeel in het onderhoud van de Westfriese zeedijk, zorg voor de meeste andere waterkeringen, zorg voor de bemaling en beheer en onderhoud van buiten de dorpskommen gelegen verharde wegen.

Ter verbetering van de bemaling werd in 1869 aan de Oosterdijk bij Medemblik een stoomgemaal in gebruik genomen, dat moest dienen als hulpgemaal wanneer de molens wegens hoge stand van het buitenwater of windstilte niet bij machte waren het water naar de zee uit te malen. Ten aanzien van de bemaling bleek de oude belangentegenstelling tussen "hoge" en "lage" landen nog niet verdwenen. In 1882 leidden verzoeken van sommige banbesturen om versterking van de maalkracht tot verzoeken van andere banbesturen om niet tot stichting van een tweede stoomgemaal over te gaan. In 1891 werd een voorstel van het dagelijks bestuur om tot plaatsing van een tweede stoomgemaal over te gaan door de hoofdingelandenvergadering met de kleinst mogelijke meerderheid verworpen. Een nader onderzochte scheiding tussen "hoge" en "lage" landen vond geen doorgang en nadat in 1897 twee nieuwe stoommachines in het bestaande gemaal waren geplaatst, werd in 1906 besloten tot stichting van een nieuw gemaal, aangedreven door een zuiggasmotor, en tot sloop van alle molens. In 1908 werd het nieuwe gemaal in gebruik gesteld en werden de molens gesloopt. Het nieuwe gemaal gaf veel problemen en op 17 december 1923 besloot de hoofdingelandenvergadering het op dat moment defecte zuiggasgemaal niet meer te herstellen, maar te vervangen door een nieuw stoomgemaal. Ondanks aanvankelijk verzet van de provincie, die aan een elektrisch gemaal de voorkeur gaf, werd het besluit tot stichting van een nieuw stoomgemaal toch goedgekeurd. Vanaf september 1925 was het nieuwe gemaal in bedrijf.

De oudste stoominstallatie, daterend uit 1897, werd in de jaren 1939-1940 vervangen door een elektrische bemalingsinstallatie. Na het inwerkingtreden van de elektrische bemaling, in augustus 1940, werd de uit 1925 daterende stoommachine gebruikt als hulpgemaal. In 1971 werd deze stoommachine vervangen door een dieselmotor.

Na de storm van januari 1916, die op diverse plaatsen rond de Zuiderzee tot overstromingen leidde en bijna een doorbraak van de Drechterlandse dijk te Andijk tot gevolg had, wenste de provincie dat alle bij de Zuiderzeedijken belang hebbende gronden werden verenigd in één waterschap, dat belast zou worden met het beheer van alle zeewaterkeringen ten noorden van het IJ, dus ook de Westfriese Omringdijk. Ondanks felle protesten van de Vier Noorder Koggen en andere waterschappen werd hiertoe een nieuw waterschap opgericht, het hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier, dat in 1921 het beheer van de Westfriese Omringdijk overnam.

Hoewel de overname van het beheer van de zeedijk door het nieuwe hoogheemraadschap een belangrijke vermindering van de taak van het ambacht inhield, werd deze taakvermindering gecompenseerd door het toenemende belang van het wegenonderhoud. Het ambacht, sinds het midden van de negentiende eeuw belast met het onderhoud van de buiten de dorpskommen gelegen verharde wegen, had in 1890 ook het onderhoud van de binnen de dorpen gelegen verharde wegen, die voorheen door de bannen werden onderhouden, overgenomen. De sterke toename van het wegverkeer na 1920 maakte verbetering van de door de Vier Noorder Koggen te onderhouden wegen noodzakelijk. Na 1935 begonnen de grote wegverbeteringen, zowel binnen als buiten de bebouwde kommen van de dorpen. In de loop van de Tweede Wereldoorlog werden deze verbeteringswerken onderbroken, maar na de oorlog werden ze weer voortgezet. Ook vonden grote verbeteringen aan door het ambacht onderhouden watergangen plaats. Zo werd in de jaren 1947-1954 de waterafvoer naar het gemaal bij Medemblik, in het bijzonder vanuit het westelijk gedeelte van het ambacht, sterk verbeterd. Daarnaast raakte het ambacht in toenemende mate betrokken bij de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Aanvankelijk hadden de Vier Noorder Koggen hier -formeel- geen bemoeienis mee. Pas in 1959 werden keurbepalingen met betrekking tot de lozing van afvalwater van kracht, maar de vele klachten over watervervuiling, met name door zuivelfabrieken, dwongen het bestuur zich ook in de jaren vóór 1959 met dit onderwerp bezig te houden.

De bij het provinciaal bestuur levende wens om aan de grote versnippering op het terrein van de waterschapszorg een einde te maken en de gedachte dat een meer geconcentreerd beheer tot aanzienlijke besparingen zou leiden, leidde in 1933 tot opheffing van de binnen de Vier Noorder Koggen gelegen bannen als zelfstandige waterschappen. Hun taken en bezittingen gingen over op het ambacht. De taken waren niet erg omvangrijk. Nadat in 1890 het onderhoud van de beharde wegen die voordien door de bannen waren onderhouden door het ambacht was overgenomen, hadden de bannen geen andere taak dan het innen van de lasten van het ambacht en het schoonhouden van de dorpssloten. Om tegemoet te komen aan het bezwaar van het ambacht dat na het opheffen van de bannen het schouwen van de sloten zou geschieden door hoofdingelanden van het ambacht die niet zo goed op de hoogte waren van de bijzondere omstandigheden van de bannen, werd bij de gelijktijdige herziening van het bijzonder reglement van bestuur van het ambacht de funktie van "schouwmeester" ingesteld. De schouwmeesters, te kiezen door stemgerechtigde ingelanden van iedere banne, waren belast met het voeren van de schouw over de sloten en hadden het recht om het bestuur van het ambacht voorstellen te doen omtrent aangelegenheden die hun banne betroffen. Hoewel de bannen als zelfstandige waterschappen werden opgeheven, bleef de benaming "banne" bestaan als officiële aanduiding van het kiesdistrict van een hoofdingeland van het ambacht en als gebied waarbinnen één of meer schouwmeesters uit dit gebied bevoegd waren op te treden. Vanaf 1968 werden de schouwmeesters niet meer gekozen door de stemgerechtigde ingelanden van hun bannen, maar benoemd door hoofdingelanden, na voordracht van de in de desbetreffende bannen werkzame afdelingen van standsorganisaties.

Op 1 januari 1968 werden alle binnen de Vier Noorder Koggen gelegen gereglementeerde polders, achttien in getal, opgeheven als zelfstandige waterschappen. Hun taak ging over op het ambacht. Tegelijkertijd namen de Vier Noorder Koggen het beheer van drie ongereglementeerde polders binnen het ambacht over.

De binnen het ambacht gelegen polders waren in verschillende tijden ontstaan. De Kaagpolder onder Spanbroek had nooit deel uitgemaakt van het bemalingsverband van de Vier Noorder Koggen en waterde reeds in de zestiende eeuw uit op de boezem van Geestmerambacht, de latere Raaksmaatsboezem. Hetzelfde gold sinds 1579 voor de polder de Lagehoek. De Bennemeer, de Braakpolder onder Hoogwoud, het waterschap de Brake, Poel en Wijmers en het Lichtewater en de Kolk van Dussen waren uit de zeventiende eeuw daterende droogmakerijen. De Weelpolder was een droogmakerij uit het midden van de negentiende eeuw. De Achterkogge had op grond van de Molenakte van 1819 een eigen bemaling gekregen en waterde sinds 1937 zonder bemaling uit op de in Drechterland gelegen Westerkogge. De Buiten-Walakker, de Hoop, de Sluispolder, de Vereenigden, de Vijf Vereenigden, de Westerpolder, de polder Westerveer en de Zuiderpolder waren ontstaan nadat afkading van lage landen bij de keuren van 1851 en 1856 was toegestaan. De polders de Hooge Weere en de Horn waren "opmaalpolders", polders met een hoger waterpeil dan het omringende gebied, die in de jaren 1921-1923 waren ontstaan. Al deze polders waren gereglementeerd. De drie niet- gereglementeerde polders (Bedijkte Boezem, Kerkepolder onder Wognum en de Leekerlanden) waren in de negentiende eeuw ontstaan.

De Vier Noorder Koggen hadden vanaf 1961 bij de provincie aangedrongen op wijziging van het bijzonder reglement van bestuur, waardoor ze de bevoegdheid zouden krijgen gemeenschappelijke werken van ongereglementeerde polders, vooral kaden, in beheer over te nemen, aangezien gebrekkig onderhoud van deze werken tot wateroverlast kon leiden. De opheffing van de gereglementeerde polders was geen wens van het ambacht geweestukkenConcentratie van waterschappen omwille van een beter beheer was, net als bij de opheffing van de bannen in 1933, een wens van de provincie.

Anders dan in de jaren '30, toen het ambacht afwijzend tegenover de opheffing van de bannen had gestaan, meende het dagelijks bestuur in 1964 dat concentratie van kleine zelfstandige eenheden in de lijn van de tijd lag en dat het ambacht weliswaar geen voordeel, maar ook geen nadeel van de voorgestelde concentratie zou hebben en zonder bezwaar de taak van de op te heffen polders zou overnemen.

Op 1 januari 1969, één jaar na de opheffing van de gereglementeerde polders en de overname van het beheer van drie ongereglementeerde polders, werd ook het beheer van de ten zuiden van Medemblik gelegen Brakewegpolder door het ambacht overgenomen.

De naam van deze polder werd, om verwarring met de Braakpolder onder Hoogwoud en met de dicht bij de Brakewegpolder gelegen "Brake, Poel en Wijmers en het Lichtewater" te voorkomen, gewijzigd in "Doespolder". Een jaar later werden nog twee ongereglementeerde polders in beheer overgenomen, de Gecombineerde Polder(s) onder Midwoud en de Hazeweelpolder onder Oostwoud.

Het streven van het provinciebestuur om het aantal waterschappen in Noord-Holland te verminderen leidde in april 1969 tot publikatie van een nota inzake concentratie van waterschappen in Noord-Holland. Deze nota bevatte een voorstel waarbij in oostelijk West-Friesland twee waterschappen zouden overblijven.

Eén van deze waterschappen was de Vier Noorder Koggen, waaraan de Drechterlandse Westerkogge zou worden toegevoegd. Terwijl de discussie hierover nog gaande was, werden eind 1970 plannen voor verdergaande concentratie bekend. Er zou in oostelijk WestFriesland slechts één waterschap zijn, belast met bemaling en wegenbeheer. Dit plan werd werkelijkheid. Op 1 januari 1973 begon het nieuwe waterschap Westfriesland, gevestigd te Hoorn, aan zijn taak en kwam er een einde aan het bestaan van het te Medemblik gevestigde ambacht van Westfriesland, genaamd de Vier Noorder Koggen.

Geschiedenis van de archiefvorming

Verantwoording van de inventarisatie

Algemeen

Het archief van de Vier Noorder Koggen, zoals dit bij het begin van de inventarisatie werd aangetroffen, bestond uit drie gedeelten. Het "oud-archief" uit de periode vóór 1814 was in 1938 geïnventariseerd door G. van Es, die één jaar later ook een inventaris van het "nieuw-archief" uit de periode 1814 1930/1938 vervaardigde. Het derde gedeelte bestond uit niet nader geïnventariseerd archief uit de jaren 1931/1938-1973, geordend volgens de decimale code van de Unie van Waterschapsbonden. Deze code werd sinds het voorjaar van 1939 toegepast, nadat het ambacht was toegetreden tot het Registratuurbureau van de Unie van Waterschapsbonden. De ingekomen en uitgaande stukken uit de jaren 1931-1939, die aanvankelijk geordend waren volgens een rubriekenstelsel en niet waren beschreven in de inventaris van Van Es, zijn-waarschijnlijk rond 1940-in het codearchief opgenomen.

In april 1685 werden "de boecken en papieren" die zich op dat moment bevonden in de "coggekist" geïnventariseerd door de dijkgraaf en drie oud-waarschappen. De door secretaris Landman bij deze gelegenheid opgemaakte inventaris laat nog geen systematische archiefvorming zien. Wel werden vanaf 1666 de resoluties van de waarschappij ingeschreven in een resolutieboek en beschikken wij sedert datzelfde jaar over jaarlijks opgemaakte boekjes waarin beraming, besteding en schouw van dijkwerken werden opgetekend. Resoluties van koggemeesters en molenmeesters werden vanaf 1695 opgetekend in "resolutie- of inkoopboeken", waarin tevens verslagen van door hen uitgevoerde inspecties en de door hen gedane inkoop van materialen waren opgenomen. Een resolutieboek van de oud- waarschappen begint in 1698.

In 1809 werd het archief opnieuw geïnventariseerd. In de toen vervaardigde inventaris worden voornamelijk registers vermeld. In hetzelfde jaar legde secretaris J. Spaander een "missiveboek" aan, waarin zowel ingekomen als uitgaande stukken werden afgeschreven. Tevens begon men in het begin van de negentiende eeuw sommige ingekomen stukken te nummeren en werd een lijst van deze genummerde stukken vervaardigd en tot 1839 bijgehouden.

Vanaf 1834 werden andere ingekomen stukken ook genummerd. Een agenda op deze stukken is niet (meer) aanwezig, maar kort na 1890 is een groot gedeelte van deze serie hernummerd en werden agenda's op de opnieuw genummerde stukken vervaardigd. Naast de genummerde en geagendeerde ingekomen stukken bleef een aantal ingekomen stukken buiten het systeem van nummering en agendering. Het in 1809 door secretaris Spaander aangelegde "missiveboek" werd tot 1825 bijgehouden. Vanaf 1840 werden de uitgaande stukken afgeschreven in "correspondentieboeken". Voor brieven, uitgaande van de dijkgraaf alleen, bestond sinds 1852 een apart "correspondentieboek".

De steeds toenemende hoeveelheid correspondentie leidde er toe dat het systeem van chronologisch gerangschikte, in een agenda ingeschreven ingekomen stukken en in de "correspondentieboeken" afgeschreven uitgaande stukken niet langer voldeed. Vanaf 1931 werd een rubriekenstelsel toegepastukkenIngekomen en minuten van uitgaande brieven werden, afhankelijk van het onderwerp waarop zij betrekking hadden, ingedeeld in rubrieken, die met een letter en een cijfer werden aangeduid. Voor iedere rubriek werd een aparte agenda bijgehouden.

In januari 1939 trad het ambacht toe tot het Registratuurbureau van de Unie van Waterschapsbonden en vanaf maart 1939 vond archiefvorming plaats volgens een dossierstelsel op basis van de decimale code van de Unie van Waterschapsbonden. De volgens het rubriekenstelsel geordende stukken uit de voorgaande jaren werden opnieuw geordend en met de stukken van later datum in dossiers opgeborgen.

Na de totstandkoming van het Waterschap Westfriesland op 1 januari 1973 werd het archief van de Vier Noorder Koggen overgebracht van het Koggenhuis te Medemblik naar de archiefkluis van het Waterschap Westfriesland in het voormalige Drechterlandse Huis aan het Grote Oost te Hoorn. Nadat het archief in 1987 was overgebracht naar de in het stadhuis van Hoorn gevestigde bewaarplaats van de Archiefdienst Westfriese Gemeenten, is het gehele archief, zowel het door Van Es-vrij summier-geïnventariseerde "oud-archief" en "nieuw-archief", als het nog niet eerder geschoonde en ge¿nventariseerde codearchief ge¿nventariseerd. Deze inventarisatie vormde een onderdeel van de door de Stichting Archiefverzorging (sinds juni 1993: Proffile BV te Arnhem) ondernomen inventarisatie van de archieven van alle waterschappen die in de jaren 1973 en 1976 in het nieuwe Waterschap Westfriesland zijn opgegaan. Bij deze inventarisatie is een scheiding gemaakt tussen de stukken van vóór 1 januari 1931 en de stukken die van latere tijd dateren.

De scheiding is gemaakt op het punt waar de chronologische series "ingekomen en uitgaande stukken" stoppen en deze stukken, die aanvankelijk nog rubrieksgewijs geordend werden, in dossiers op basis van de decimale code van de Unie van Waterschapsbonden opgenomen werden. De door Van Es gemaakte scheiding in "oudarchief" (t/m 1813) en "nieuw-archief" (vanaf 1814) is ongedaan gemaakt. Een cesuur bij 1813/1814 heeft geen zin, aangezien op dat moment noch in de bestuursinrichting, de bevoegdheden of de taken van het ambacht, noch in de wijze van archiefvorming iets veranderde.

Na de beschrijving van het archief uit de jaren 1931-1973 volgt de beschrijving van het archief van de Technische Dienst van het ambacht uit de jaren 1880-1972. Daarna volgen beschrijvingen van stukken waarvan het verband niet duidelijk is en van stukken die niet tot het archief van de Vier Noorder Koggen behoren maar zich wel in het archief van het ambacht bevonden, waaronder stukken uit het archief van de in 1936 geliquideerde N.V. Lokaalspoorweg Maatschappij "Hollands Noorderkwartier".

Tenslotte volgen bijlagen (genummerd I t/m VI), die nadere specificaties bevatten van in de inventaris voorkomende beschrijvingen.
in 2017 is door ArchiefBC een aanvulling op het archief bewerkt. Het merendeel van de aanvulling betrof tekeningen; deze zijn in een aparte rubriek beschreven en zullen later op stuksniveau nader
ontsloten worden.

Het archief tot en met 1930

Zoals gebruikelijk is het archief gesplitst in twee hoofdafdelingen, t.w. "stukken van algemene aard" en "stukken betreffende bijzondere onderwerpen". Tot de "stukken van algemene aard" behoren in de eerste plaats de resoluties of notulen van het bestuur. Vervolgens worden een aantal memorialen beschreven, in de 17e en 18e eeuw aangelegde registers, waarin afschriften of uittreksels van stukken die betrekking hebben op het ambacht en diverse aantekeningen zijn opgenomen. Het rond 1650 aangelegde memoriaal (inv.nr. 46) bevat afschriften en uittreksels van stukken uit de jaren 1296-1611 en is daarmee de voornaamste bron in dit archief voor de middeleeuwse geschiedenis van het ambacht. Na de memorialen volgen de series ingekomen en uitgaande stukken uit de jaren 1796-1930, onderverdeeld in genummerde en geagendeerde ingekomen stukken, niet of onjuist geagendeerde ingekomen stukken en uitgaande stukken. Hiervoor is reeds uiteengezet dat een gedeelte van de ingekomen stukken uit de jaren 1796-1930 buiten het systeem van nummering en agendering bleef en dat kort na 1890 een groot gedeelte van de genummerde stukken van nieuwe nummers is voorzien, waarop vervolgens agenda's werden vervaardigd. Deze hernummering heeft af en toe tot fouten geleid, waardoor stukken in de agenda van een ander jaar werden opgenomen. Dergelijke stukken zijn uit de serie gelicht, evenals een aantal andere stukken. Nadere bijzonderheden hierover zijn te vinden in het N.B. bij de inventarisnummers 57-159 en in Bijlage I bij de inventaris. Na de series ingekomen en uitgaande stukken volgen beschrijvingen van ingebonden akten met bijbehorende repertoires en beschrijvingen van verslagen, bekendmakingen en van een register waarin keuren, verordeningen en overeenkomsten zijn afgeschreven.

Bij de onderverdeling van de "stukken betreffende bijzondere onderwerpen" is gebruik gemaakt van het door de provinciale archiefinspectie van Zuid-Holland ontwikkelde schema voor waterschapsarchieven. Dit schema diende als basis en is nader aangepast aan het archief van de Vier Noorder Koggen. Uit het archief is weinig vernietigd: dubbele exemplaren van stukken, geloofsbrieven van gekozen bestuursleden en processenverbaal van de opneming van kas en boeken.

Het archief van 1931 tot 1973

Ook bij dit gedeelte van het archief is de gebruikelijke splitsing tussen "stukken van algemene aard" en "stukken betreffende bijzondere onderwerpen" aangebracht. Anders dan bij het archief uit de periode vóór 1931 bevatten de "stukken van algemene aard" hier alleen notulen, verslagen en bekendmakingen. Alle andere stukken zijn te vinden onder "stukken betreffende bijzondere onderwerpen". Ook dit archiefgedeelte is onderverdeeld volgens het door de provinciale archiefinspectie van Zuid-Holland ontwikkelde schema voor waterschapsarchieven. Bij de rangschikking van stukken betreffende verwerving en vervreemding van onroerende goederen (per gemeente) en van stukken betreffende uitvoering van onderhouds- en verbeteringswerken aan wegen in afzonderlijke gemeenten, is de oude gemeentelijke indeling aangehouden, zoals die bestond vóór de gemeentelijke herindeling van 1 januari 1979. Tevens zijn Opmeer en Spanbroek, in 1959 tot één gemeente verenigd, als afzonderlijke gemeenten beschouwd.

Uit het archief van na 1931 is aanzienlijk meer vernietigd dan uit het archief van voor die tijd. Stukken voorkomend in de bij ministeriële beschikkingen van 16 juli 1984 (Staatscourant 17 september 1984) en 18 januari 1993 (Staatscourant 8 april 1993) goedgekeurde vernietigingslijsten zijn vernietigd, tenzij deze stukken mij van voldoende belang leken om bewaard te blijven.

Het archief van de technische dienst

In het midden van de negentiende eeuw had het ambacht verscheidene opzichters in dienstukkenDe titel "opzichter" won aan gewicht en vanaf 1886 was een hoofdopzichter, geassisteerd door een opzichter, belast met de leiding over en het toezicht op de werken van het ambacht. De hoofdopzichter, sinds 1951 technisch hoofdambtenaar en sinds 1970 hoofd van de technische dienst genaamd, hield zelf registers bij inzake verwerkte materialen bij het wegenonderhoud en betreffende door hem gedane uitgaven en voerde zelf correspondentie (bewaard vanaf 1922). Het merendeel van deze correspondentie kon vernietigd worden; stukken waaruit blijkt welke werken door het ambacht werden uitgevoerd en welke technische materialen werden aangekocht, zijn bewaard. Daarnaast bevat het archief van de hoofdopzichter een serie bestekken van aanbestede werken of leveranties vanaf 1886, vanaf 1900 vrijwel compleet. De genummerde bestekken zijn op nummervolgorde beschreven, met vermelding van het aanbestede werk of de aanbestede leverantie. De bij deze bestekken behorende tekeningen ontbreken vrijwel altijd. Naast de stukken betreffende de uitvoering van werken in het "gewone" archief van het ambacht biedt het archief van de Technische Dienst een belangrijke aanvulling in de informatie over de uitvoering van werken door de Vier Noorder Koggen.

Stukken waarvan het verband niet duidelijk is en stukken die niet tot het archief behoren

Naast stukken waarvan het verband niet duidelijk is, bevat dit onderdeel van de inventaris nog stukken die niet tot het archief behoren, zoals stukken, behorend tot de persoonlijke archieven van bestuursleden, notulen van te Medemblik gehouden vergaderingen van dijkgraven en hoofdingelanden van West-Friesland en bij dergelijke vergaderingen ingekomen stukken, en stukken behorend tot het archief van de N.V. Lokaalspoorweg Maatschappij "Hollands Noorderkwartier". Deze maatschappij, opgericht op 30 december 1884, had als doel de aanleg van lokaalspoorwegen, speciaal van Medemblik naar Hoorn, en de exploitatie daarvan.

Het ambacht was de grootste aandeelhouder in de NV. In 1887 werd de spoorlijn Medemblik-Hoorn geopend. Exploitatie van de spoorlijn vond plaats door de Hollandsche IJzeren SpoorwegMaatschappij. Nadat de Staat de spoorlijn op 1 januari 1935 had genaast, werd de Lokaalspoorweg Maatschappij geliquideerd. Een gedeelte van het archief moest krachtens het naastingsbesluit aan de Staat worden overgedragen: stukken betreffende de aanleg van de spoorweg, eigendomsbewijzen en verdere voor de exploitatie van belang zijnde stukken, zoals kaarten. De rest van het archief van de geliquideerde maatschappij werd overgedragen aan de Vier Noorder Koggen, als grootste aandeelhouder.

Geraadpleegde bronnen

Geraadpleegde literatuur

Piet Boon, Voorland en inlagen: de Westfriese strijd tegen het buitenwater, in: West-Frieslands Oud en Nieuw 58 (1991), blz. 78-113.

D. Kooiman, De zeeweringen en waterschappen van Noordholland (Alphen aan den Rijn 1936).

G. de Vries Az., Het dijks en molenbestuur in Holland's Noorderkwartier onder de grafelijke regeering en gedurende de Republiek (Amsterdam 1876).

G. de Vries Az., De zeeweringen en waterschappen van NoordHolland (Haarlem 1864).

G. de Vries Az., De zeeweringen en waterschappen van NoordHolland, 2e uitgave, bewerkt door jhr. J.W.M. Schorer (Haarlem 1894).

Lijst van functionarissen

Keywords

Subjects:

Verkeer en Waterstaat