Netherlands > NIOD Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies

197

Nationaal Instituut

1945-1946
2012
NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies
Nederlands

Physical description

4,0 meter, 26 dozen

General remarks

Over het archief

Op 25 maart 1945 was de geheime oprichtingsvergadering voor het Nationaal Instituut (NI). Na de bevrijding, op 17 mei 1945, werd de stichtingsakte vastgesteld en op 12 en 13 oktober 1945 werd de constituerende vergadering gehouden. Het doel van het NI was de verdieping van het nationale bewustzijn en de versterking van de nationale samenhorigheid centraal te organiseren. Het Instituut werd gedeeltelijk gefinancierd door het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De belangstelling voor het Instituut bleek niet zo groot te zijn als was verwacht. Op 1 maart 1947 werd het weer opgeheven.

Openbaarheid

Volledig openbaar

Other descriptive information

Openbaarheid

Het archief is in zijn geheel openbaar.

Geschiedenis van de organisatie

Oprichting

Het initiatief tot de oprichting van het Nationaal Instituut (NI) ontstond tijdens de Tweede Wereldoorlog en kwam voort uit de illegaliteit. In de winter van 1943-1944 werd door deze groepering het zogenaamde Plan F opgesteld. In het Plan werden de taken die het verzet zich na de oorlog zag toebedacht vastgelegd. Dit waren ondermeer het levend houden van de geschiedenis van het verzet en de zuivering van de Nederlandse maatschappij van 'onvaderlandse elementen'. Het gedachtengoed van het NI is voortgekomen uit punt D van het Plan; de verdieping van het vaderlands besef. De gedachte hierachter was dat het tijdens de bezettingsjaren verlevendigde saamhorigheidsgevoel en besef van onze nationale waarden, met name onder degenen die deelnamen aan de illegale strijd en het burgerverzet, na de oorlog niet weer verloren mochten gaan [NOTE RIOD, Archief van het Nationaal Instituut, coll nr. 197, inv. nr. 15, Binding, 1946, 6.]

De grondleggers van het NI waren drs. P.A. Verburg, tijdens de oorlog aktief in het verzet en hoofdredacteur van het illegale blad De Nieuwe Wijnzak, en J. Henrick Mulder, een onderwijzer en eveneens aktief in het verzet. In een artikel in het augustusnummer van De Nieuwe Wijnzakvan 1944 werd, waarschijnlijk door Verburg zelf, reeds op de plannen om "direct na de bevrijding de verdieping van het nationale besef van de brede massa van ons volk krachtdadig ter hand te kunnen nemen" [NOTE RIOD, coll. 201, De Nieuwe Wijnzak, nr.4, augustus 1944, 20.] gezinspeeld. In de zomer van 1944 werd door Verburg en Mulder een memorandum en een organisatie-ontwerp opgesteld. Rond hen verzamelden zij een kleine kring van medestanders, bestaande uit verzetsmensen, maar ook uit vooraanstaande figuren van buiten het verzet. Een van hen was mr.dr. J. in 't Veld, burgemeester van Zaandam.

Op 23 maart 1945 vond een geheime oprichtingsvergadering plaats in de vergaderzaal van de Nederlandse Handelsmaatschappij te Amsterdam [NOTE RIOD, Archief NI, coll nr. 197, inv.nr. 1, Agenda en notulen van de illegale vergadering van het Amsterdams comité tot stichting van het Nationaal Instituut op 23 maart 1945, maart 1945.] . Hier presenteerden de drie oprichters van het NI, Verburg, Mulder, en In 't Veld, de ideeën van het NI aan vijftien belangstellenden, waaronder vooral vertegenwoordigers uit de universitaire wereld en uit het bedrijfsleven. Tijdens deze vergadering werden een voorlopig Amsterdams comité en een voorlopig dagelijks bestuur samengesteld.

Vrijwel direct na de bevrijding werd op 17 mei 1945 de stichtingsakte van het NI vastgesteld [NOTE RIOD, Archief NI, coll. nr. 197, inv.nr. 23, Stichtingsakte, mei 1945.] en begon het Instituut aan haar arbeid in een pand aan de Herengracht 499 in Amsterdam. Haar positie was echter nog niet nader bepaald. Het voorlopig Amsterdams comité fungeerde als voorlopige raad van beheer en ook het dagelijks bestuur behield haar voorlopige status. Statuten en huishoudelijk reglement waren nog niet vastgesteld. Deze situatie bleef bestaan tot de constituerende vergadering, gehouden op 12 en 13 oktober 1945. Tijdens deze vergadering vond de officiële oprichting van het NI plaats en werden de directie, de raad van beheer en het dagelijks bestuur definitief benoemd (voor de samenstelling hiervan, zie bijlage I) [NOTE RIOD, Archief NI, coll. nr 197, inv.nr. 4, Verslag van de constituerende vergadering, met agenda, oktober 1945.] . De financiering van het Instituut zou gedeeltelijk door de overheid geschieden, het NI ging ressorteren onder het toenmalige Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, maar zou ook gedeeltelijk door de burgerbevolking gedragen moeten worden, die zich als lid kon aanmelden. Het voorzitterschap werd voorlopig vervuld door In 't Veld, tot in november 1945 Prins Bernhard het voorzitterschap aanvaardde [NOTE B. van Dam, De filmaktiviteiten van het Nationaal Instituut, doctoraal scriptie 1996, 24.] .

Doel en organisatie

De doelstelling van het NI komt duidelijk naar voren uit de ondertitel die zij zichzelf gaf: de centrale organisatie tot verdieping van het nationaal bewustzijn en tot versterking van de nationale saamhorigheid. Dit zou moeten plaatsvinden over de verschillende levensbeschouwelijke groeperingen (de zuilen) heen. Het begrip centraal moest niet worden begrepen in de zin van overkoepelend, maar als centrum waar de bundeling van de 'rijkdom van het nationale leven' zou plaatsvinden. Het NI wilde geen initiatiefnemer zijn van activiteiten, maar in eerste instantie slechts bemiddelend, regulerend, coördinerend, en stimulerend reageren op initiatieven uit het volk [NOTE B. van Dam, De filmaktiviteiten van het Nationaal Instituut, doctoraal scriptie 1996, 24.] .

De middelen om de doelstellingen te bereiken waren het geven van nationale voorlichting en nationale opvoeding, en het stimuleren van het culturele leven. De doelgroep bestond, naast de burgers in Nederland, uit de stamverwanten en landgenoten die buiten de grenzen verbleven.

Dat het NI midden in het volk wilde staan komt duidelijk naar voren in een organisatieschema, zoals dat werd opgenomen in de brochure Organisatie van het Nationaal Instituut(zie bijlage II). Links in het schema is het 'brongebied', dat 'het actieve nationale leven in zijn volle omvang' vormt. Aan het brongebied ontleent het NI inlichtingen betreffende zaken waarover het volk moet worden voorgelicht. Omdat een gemis aan communicatiemiddelen tussen het brongebied en het grote publiek werd geconstateerd, wilde het NI als scharnier fungeren tussen het brongebied en 'bevloeiingsgebied', dat was opgebouwd uit de verschillende terreinen waarop de nationale voorlichting en opvoeding zich wilden richten. Het NI wilde echter niet louter een doorgeefluik van informatie zijn, maar stelde zich tot taak de kennis die binnenkwam te zeven en te wegen, alvorens de informatie werd uitgezonden. Hiertoe waren de 'centrale afdeling' en de 'centrale diensten' ingesteld (in het midden van het schema). Onderaan in het schema ten slotte staan de 'plaatselijke en gewestelijke afdelingen en regionale instituten' vermeldt. Dit waren reeds bestaande of nog op te richten gemeenschappen in het gehele land, die ondanks het feit dat zij bij het NI waren aangesloten een grote mate van autonomie bezaten. De gemeenschappen moesten een nodeloze versnippering van het culturele en sociale leven voorkomen en de samenwerking van alle bevolkingsgroepen stimuleren. Het NI zou slechts een bemiddelende rol spelen, zoals hierboven reeds werd aangegeven.

Een aantal aktiviteiten van het NI komen uit dit organisatieschema niet naar voren. Voor de aktiviteiten binnen het instituut geldt dit met name voor de afdelingen muziek en volkscultuur. Beide afdelingen beoogden het behouden en stimuleren van de eigen cultuur, gericht tegen de moderne massamedia die vooral uit het buitenland afkomstig waren. Hiertoe werden cursussen geörganiseerd in de volksdans en -zang en werd de jeugd door middel van pedagogische concerten gestimuleerd om zelf te gaan musiceren. Naast werkzaamheden binnen het instituut hield het NI zich ook bezig met zogenaamde 'periferische' aktiviteiten. Een belangrijk onderdeel hiervan was de regulering van de wijze van herdenken van de Tweede Wereldoorlog. Deze regulering betrof herdenkingsplechtigheden, maar ook de oprichting van monumenten. Ook de oprichting van het Entertainment Committee of the Netherlands in samenwerking met Nederlands Volksherstel was een periferische aktiviteit. Deze instelling had tot doel de in Nederland verblijvende Canadese militairen op een verantwoorde manier te vermaken. Het motief achter de opriching was de angst voor uit de hand lopende situaties, met name op zedelijk gebied.

Opheffing

Ondanks de grootse plannen en de overtuiging dat aan een instelling als het NI in het naoorlogse Nederland een grote behoefte was, heeft het Instituut maar tot begin 1947 bestaan. Een belangrijke oorzaak van haar ondergang is het doodbloeden in de Nederlandse samenleving van de kort na de bevrijding sterk aanwezige wens tot vernieuwing. De verzuilde samenleving herstelde zich, zodat de behoefte aan instellingen die deze verzuiling wilden 'doorbreken' - zoals onder andere het NI - verdween. Echter ook indien deze behoefte wel sterk aanwezig was gebleven, was er nog het probleem van de aanwezigheid van andere instellingen, naast het NI, die door hun doelstelling verwantschap vertoonden met het NI. Overigens ook deze verwante instellingen was voor het overgrote deel geen lang leven beschoren.

Dat de belangstelling voor het NI niet zo groot was als werd gedacht blijkt ook wel uit een aantal door dit Instituut op touw gezette plannen, die uiteindelijk toch geen doorgang vonden, meestal om financiële redenen. Ook de regering zag dit waarschijnlijk in, want in een "Nota over het eerste arbeidsjaar en de toekomstige ontwikkeling van het Nationaal Instituut" van midden 1946 staat het volgende vermeld: "Wij (NI) kunnen ons niet, ondanks ten volle de grote moeilijkheden van de Regering erkennende, aan de indruk onttrekken, dat de Regering op het ogenblik niet duidelijk de grote waarde ziet van de arbeid van het NI" [NOTE RIOD, Archief NI, coll. nr. 197, inv.nr. 13, Verslag over het eerste arbeidsjaar en de toekomstige ontwikkeling van het Nationaal Instituut, [1946], 5.] . Dit kwam met name naar voren bij de pogingen van het NI om geld van de regering los te peuteren. Door het niet nakomen van beloften en toezeggingen was het NI genoodzaakt alle werkzaamheden uitsluitend uit particuliere bron te financieren [NOTE RIOD, Archief NI, coll. nr. 197, inv.nr. 13, Verslag over het eerste arbeidsjaar en de toekomstige ontwikkeling van het Nationaal Instituut, [1946], 8.] , een onmogelijk opgave. Reorganisaties brachten geen verbetering in de situatie en per 1 maart 1947 was de opheffing van het NI dan ook een feit. De beslommeringen rond de liquidatie van het instituut liepen echter nog door tot in 1948.

De opheffing van het NI betekende echter niet dat haar gedachtengoed verloren ging. De ideeën van het NI leefden voort in het op initiatief van het Instituut nieuw leven ingeblazen Prins Bernhard Fonds (PBF): het stimuleren en bevorderen van het culturele leven in Nederland in het kader van de versterking van de nationale identiteit en de 'geestelijke weerbaarheid'. Ook in andere instellingen keerde het gedachtengoed van het NI terug, zoals in de Stichting voor Nederlandse Volkscultuur 'Ons Eigen Volk' [NOTE J. Verheul, Nederlandse cultuur en particulier initiatief: oorsprong en ontwikkeling van het Prins Bernhard Fonds en het Nationaal Instituut, 1940-1990, 69.] .

Geschiedenis van het archief

Het NI kende een gecentraliseerd beheer van het archief, gevormd en beheerd door het secretariaat. Het archief was vóór de inventarisatie geordend naar organisatie-onderdeel. Per onderdeel was een onderverdeling naar onderwerp, waarbij in meerdere gevallen sprake was van overlapping van verschillende onderwerpen. Vernietiging van bescheiden uit het archief heeft voor zover ik het kan overzien nog nooit plaatsgevonden. Een aantal archiefstukken moest vanwege een afwijkend formaat apart worden gearchiveerd.

Het archief van het NI is in de laatste maanden van 1954 bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie gedeponeerd, ruim zeven jaar na de opheffing van het Instituut. In het archief van het NI bevinden zich documenten die zinspelen op een inbewaringgeving van het archief bij het RIOD na de opheffing. Uit deze bescheiden blijkt dat ook een van de voormalige directeuren van het NI, de heer Verburg, aanspraak maakte op het archief. Waarschijnlijk is dit de reden voor de relatief lange periode die is verstreken na de opheffing van het Instituut voordat het archief bij het RIOD werd gedeponeerd.

Stukken uit het archief van het NI worden ook elders bewaard, maar het gaat hier voor zover bekend om dubbele exemplaren. Met name in het archief van het PBF treft men archiefbescheiden van het NI aan. Ook de universiteitsbibliotheek van Amsterdam heeft enkele publicaties van het NI in haar collectie.

Verantwoording

Het archief is een afgerond geheel, van oprichting tot opheffing van de organisatie. Omdat het NI slechts gedurende een periode van nog geen drie jaar zijn werkzaamheden heeft verricht, is ervoor gekozen om bij de beschrijvingen in de inventaris naast jaartallen waarin de stukken zijn opgemaakt, ook de maanden erbij te vermelden. Op deze wijze is er duidelijker een chronologisch verloop waar te nemen in de stukken.

Tijdens het inventariseren zijn bescheiden die voor vernietiging in aanmerking komen uit het archief verwijderd. Deze te vernietigen bescheiden bestaan hoofdzakelijk uit dubbele exemplaren en afschriften van brieven die het NI heeft verstuurd, bijvoorbeeld uitnodigingen voor vergaderingen. Ook zijn vele financiële stukken uit het archief verwijderd.

De werkwijze en organisatie van het NI hebben het noodzakelijk gemaakt op een aantal punten af te wijken van de gangbare regels bij het inventariseren. Het NI had een beperkte staf van op hun vakgebied zeer deskundige mensen. Daarnaast echter waren legio andere personen bij het NI betrokken als adviseurs op allerlei gebied en als lid van allerlei op initiatief van het NI ingestelde commissies. Anderzijds waren werknemers van het NI vertegenwoordigd in besturen en commissies van tal van organisaties en instellingen, aktief op allerlei terreinen. Dit alles was het gevolg van de hoofdzakelijk coördinerende taak die het NI zich had toebedacht.

Als gevolg van het bovenstaande is de rubriek "Betrekkingen tot andere lichamen, organen en personen" vrij uitgebreid. Uit deze rubriek blijkt dat het NI ook vele contacten had met de diverse ministeries. In de rubriek in kwestie zijn echter alleen die stukken betreffende contacten met de ministeries opgenomen voor zover deze geen deel uitmaken van reeds gevormde dossiers, omdat het voor de eenheid en de volledigheid van de dossiers niet bevorderlijk is de stukken betreffende contacten met een bepaald ministerie eruit de verwijderen. Dit is met name het geval omdat het NI vrijwel altijd een of meerdere ministerie(s) inlichtte over de stand van zaken en nieuwe plannen. dit gebeurde vooral om financiële redenen. Hoewel het NI ervan was overtuigd zichzelf op een gegeven moment financieel te kunnen bedruipen, was hiervan zeker in het eerste jaar nog geen sprake, zodat het Instituut afhankelijk was van financiële steun van ondermeer de Nederlandse regering.

De werkwijze van het NI heeft tot gevolg gehad dat in het archief vele archieven van commissies zijn aangetroffen die, volgens het criterium dat commissies met een eigen beslissingsbevoegdheid zelfstandige archiefvormende organen zijn, afzonderlijk zouden moeten worden beschreven. Mijn zienswijze is dat in dit geval deze archieven binnen het archief een logisch gevolg zijn van de organisatiewijze van het NI. Daarom heb ik een aantal van deze, volgens de regels afzonderlijke, archieven opgenomen in het archief van het NI. Als criterium voor opname binnen het archief van het NI, dan wel voor opname als afzonderlijk archief heb ik onderzocht of de instelling van de commissie in kwestie plaatsvond op initiatief van het NI of niet. Indien een commissie op initiatief van het NI was ingesteld heb ik het archief van deze commissie als onderdeel van het archief van het NI beschouwd. Zo niet, dan is het archief opgenomen onder "IV Archieven van commissies en stichtingen, waarin het NI is vertegenwoordigd". De inventarisnummers lopen bij de beschrijvingen van laatstgenoemde commissies wel gewoon door. Ik heb hiervoor gekozen om reden dat de archieven van de commissies niet erg uitgebreid zijn en op deze wijze zij geen aparte archiefnummers binnen de archiefcollecties van het RIOD behoeven te krijgen. Aan laatstgenoemde rubriek heb ik tevens het archief van het Entertainment Committee of the Netherlands toegevoegd, waarvan het secretariaat door het NI werd gevoerd.

Deze inventarisatie is uitgevoerd in het kader van de SOD-opleiding Voortgezette Vorming Archiefbeheer.

Geraadpleegde literatuur

B. van Dam, Film: Kunst of voorlichtend middel? De filmaktiviteiten van het Nationaal Instituut binnen het gedachtengoed van het instituut en het naoorlogse filmlandschap(oktober 1995), doctoraal scriptie UvA.

J. Verheul, Nederlandse cultuur en particulier initiatief: oorsprong en ontwikkeling van het Prins Bernhard Fonds en het Nationaal Instituut, 1940-1990, (s.l., s.n.), proefschrift Universiteit Utrecht.

De toegang is in 1999 vervaardigd door drs. M. Heijmans - van Bruggen.

Leden van de directie en het dagelijks bestuur

Directie

Drs P.A. Verburg

J. Henrick Mulder

tot 1 juli 1946

G. Niemeijer

waarnemend directeur vanaf 1 juli 1946

H.G.C. Bergman

secretaris

Dagelijks Bestuur

Z.K.H. Prins Bernhard

voorzitter

Mr J. In 't Veld

vice-voorzitter

Dr C.P. Gunning

secretaris

H. Götzen

penningmeester tot juli 1946

G. van Hall

penningmeester vanaf oktober 1946

Ds G.J. Hoenderdaal

Arnhem

Dr A. Kessen

Maastricht

H. Molendijk

Groningen

Pastoor prof. W. Nolet

Amsterdam

G.H.L. Schouten

Rotterdam

Mej. mr N.S. Corry Tendeloo

Amsterdam

Personeel in dienst van het Nationaal Instituut in de periode 1945-1947

Bruin, H. de

Hoofd afdeling Pers en Publiciteit

Buijs, K

Secretaris Gemeenschapsdienst

Domburg, A. van

Hoofd afdeling Film

Graftdijk, K

Medewerker afdeling Pers en publiciteit

Grondijs, J.H

Medewerker afdeling Voorbereiding en documentatie

Holl, M

Hoofd afdeling Onderwijs

Hoornik, E

Hoofd afdleling Pers en Publiciteit tot januari 1946

Kes, D

Cursusleidster afdeling Volkscultuur

Kleiterp, L.F

Algemeen vertegenwoordiger

Meerum Terwogt, E

Hoofd afdeling Voorbereiding en documentatie

Melchior, J

Hoofd afdeling Jeugdzaken

Niemeijer, G

Hoofd afdeling Pedagogisch bureau

Pelster, E

Medewerker afdeling Film

Plet, J

Administrateur

Pollman, J

Hoofd afdeling Volkscultuur

Ravenzwaaij, G. van

Hoofd afdeling Muziek

Tiggers, P

Cursusleider afdeling Volkscultuur

Treurniet, A

Hoofd Volksontwikkelingswerk tot februari 1946

Gemeenschappen waarmee door het Nationaal Instituut is gecorrespondeerd

Almelo

Alphen

Amersfoort

Apeldoorn

Arnhem

Assen

Beemster

Bergen op zoom

Delft

Zuidwest Drente en Noordwest Overijssel

Doetinchem

Eindhoven

Emmen

Enschede

Ermelo

Friesland

't Gooi

Gorinchem

's Gravenhage

Groningen

's Hertogenbosch

Hilversum

Kennemerland

Langstraat (regio Waalwijk)

Limburg

Noord-Brabant

Noord-Hollands

Noordwijk

Nijmegen

Oldenzaal

Rotterdam

Schermer

Stadskanaal

Tilburg

Twente

Utrecht

Vlaardingen

Wageningen

Warnsveld

Westland

Winterswijk

Wolvega

Wormer

Zeeland

Zeeuws Vlaanderen

Zutphen

Zwolle

Auteurs die bijdragen hebben geleverd aan de schoolkrant "Vlag en Wimpel"

Aafjes, Bertus

Bakels, F.B.

Bakker, P.

Bauer, R.

Beeghs, T.

Beers, T. van

Begeer, P.A.

Beynen-Yeaman, M.

Biegel, A.

Boer, A.J. de

Boers, A.

Bokhorst, G. van

Bokhorst, M.

Bomans, Godfried

Bosman, J.P.

Bouwman, Th.L.M.

Brugge, C. van der

Bruins, B.

Buddingh, C.

Cate, L. ten

Coolen, Anton

Debrot, N.

Delden, J. van

Doekes-de Wilde, M.

Dorger, A.

Dorgelo, J.I.

Elsendoorn, J.

Eyck, H. van

Faber-Hornstra, S.

Franke, S.

Fruithof, P.H.

Gazenbeek, J.

Gunning, C.P.

Hattum, J. van

Hell, J.

Hildebrand, A.D.

Huizinga, L.

Koot, T.

Kromdijk, G.

Kruizinga, J.H.

Lennart, C.

Meulen, J.J. van der

Michels, F.W.

Mulder, Anne H.

Nijland, H.

Overmeer, J.M.

Pinchin-Wagemaker, W.

Roggeveen, L.

Rooy, H. van

Schaik, H. van

Selleger-Elout, J.M.

Tolman, R.

Tönjes, J.J.

Troye, J.L. de

Velde, E. van de

Vries, Anne de

Vries, L. de

Wal, Th. van der

Werfhorst, A. van der

Wit, J.A.

Woude, J. van der

Zijlstra, D.

Keywords

Subjects:

Algemeen bestuur en Politiek

Records creator

Nationaal Instituut